MBO

Spookstages in zorg zijn lastig te bestrijden

Malafide leerbedrijven maken misbruik van mbo-opleidingen in zorg en welzijn. Studenten kunnen een echt diploma halen zonder ooit een cliënt te hebben verzorgd. Scholen zien de signalen, maar krijgen fraude nauwelijks bewezen. “Je voelt je een rechercheur.”

Tekst Judith Katz - Redactie Onderwijsblad - - 13 Minuten om te lezen

Diplomafraude spread

Beeld: Nanne Meulendijks

Een mbo-stagebegeleider stapt binnen bij een woonvoorziening waar een van haar studenten stage zou lopen. Het is het verplichte bezoek op locatie, het moment waarop de school met eigen ogen ziet waar de student leert. Maar er klopt iets niet. Cliënten ziet ze nauwelijks. Er staat een tafel met een paar verdwaalde stoelen. Bij de rondleiding langs de kamers staat ze in een ruimte die bewoond zou moeten zijn, maar waar geen kleren liggen, geen tandenborstel bij de wasbak, alleen een stoel naast een bed.

“Het voelde echt als een toneelspel, alles leek in scène gezet”, zegt de coördinator van een mbo-stagebureau over wat haar collega’s bij zulke bezoeken meemaken. “Je hebt geen bewijs. Maar je denkt: wat gebeurt hier nou?” De coördinator spreekt op voorwaarde van anonimiteit, net als de andere bronnen in dit artikel (zie kader ‘Verantwoording’). 

Verantwoording

Het Onderwijsblad onderzocht stagefraude in het mbo al voordat de Inspectie van het Onderwijs eind juni haar rapport publiceerde. De redactie sprak uitgebreid met een stagecoördinator, een kwaliteitsmedewerker en een bpv-medewerker van drie verschillende mbo-instellingen, op voorwaarde van anonimiteit. Herkenbaarheid maakt de bronnen en hun collega’s kwetsbaar en kan hun werk aan lopende dossiers schaden. Achter een deel van de beschreven fraude gaat volgens het rapport van de inspectie georganiseerde criminaliteit schuil; het rapport noemt omkoping, afpersing en intimidatie van onderwijspersoneel als reëel risico. De namen van de bronnen zijn bekend bij de redactie. Details die naar hen of hun scholen kunnen leiden zijn weggelaten. SBB laat in een reactie weten 'momenteel geen nadere uitspraken’ te kunnen doen.

Een echt diploma

De inspectie van het Onderwijs beschrijft vergelijkbare taferelen in het rapport Zwaktes in het systeem van stage en examinering dat in juni verscheen. Een stagebegeleider die steeds geen afspraak rond krijgt. Een ontmoeting die wordt verplaatst naar een wegrestaurant ‘omdat dat beter uitkomt’. 

De inspectie schaart nepstages onder diplomafraude. Dat roept al snel het beeld op van een nagemaakt papiertje, maar daar gaat het hier niet om. Het gaat om studenten die uiteindelijk echte mbo-diploma’s halen, geregistreerd bij DUO en uitgereikt door een examencommissie. Alleen is onderweg gefraudeerd.

Bijvoorbeeld met een aftekenstage. Een mbo-student krijgt dan afgetekende stage-uren en een positieve beoordeling voor een stage die nooit plaatsvond. “Studenten betalen daar soms honderden euro’s voor”, zegt de coördinator van het mbo-stagebureau over bedragen die ze tegenkwam. Soms werkt een leerbedrijf bewust mee, soms is het een malafide praktijkopleider binnen een verder betrouwbaar bedrijf. De werving gaat deels openlijk: op Facebook worden aftekenstages onbeschroomd gevraagd en aangeboden.

Studenten betalen daar soms honderden euro's voor

In één zaak die de coördinator van dichtbij meemaakte, claimden uiteindelijk 65 studenten, verspreid over meerdere scholen door het hele land, dat ze stage liepen bij dezelfde grote welzijnsorganisatie. Die organisatie had de overeenkomsten nooit ondertekend, dat had een nep-begeleider gedaan. Ook dit voorbeeld staat in het inspectierapport.

Georganiseerde netwerken

Een praktijkopleider die voor een paar honderd euro een student aftekent omdat hij zelf krap zit, bestaat, zeggen de bronnen van dit artikel. Maar daar liggen zij allemaal niet het meest wakker van. De grootste zorg zit bij georganiseerde netwerken waarin het leerbedrijf zelf niet zuiver is. De zorg is voor fraudeurs financieel aantrekkelijk: er gaan grote bedragen om in aanbestedingen, personeel is schaars, declaraties kunnen hoog zijn en via zorgbedrijven kan geld worden witgewassen.

Stagesubsidies zijn dan maar één onderdeel van een groter verdienmodel. Criminelen zijn volgens het rapport van de inspectie ‘goed georganiseerd’ en ‘in de keten van zorg en onderwijs geïnfiltreerd’. Op papier lijkt een leerbedrijf te bestaan, de aanvraag voor een erkenning als stagebedrijf ziet er goed uit, maar zorg wordt niet geleverd of is zwaar ondermaats.

Docent en rechercheur

Die georganiseerde kant van de fraude komt uiteindelijk terecht op het bord van mensen die voor de aanpak ervan niet zijn opgeleid, veelal docenten. Voor hen levert dat een ongemakkelijke rol op. Zij zijn uiteindelijk degenen die bij de toneelstukjes aanwezig moeten zijn. Sommigen maken er grimmige grappen over: een stiekeme foto van een gesloten voordeur zonder naambordje en zonder openingstijden, terwijl de student er die dag stage zou moeten lopen. “Je voelt je een rechercheur”, zegt de coördinator. “De een gaat op onderzoek uit, de ander voelt zich onveilig. Eén collega zei: ik durf daar niet meer over de vloer.” Op haar school gaat bij twijfel soms een collega incognito mee.

Een kwaliteitsmedewerker van een grote particuliere mbo-instelling maakt met stagebegeleiders vooraf afspraken: ga niet in je eentje als het niet goed voelt, blijf niet doorvragen als de situatie ongemakkelijk wordt en vertrek als je je onveilig voelt. (Tekst gaat verder onder illustratie).

Een illustraite bij een artikel over stagefraude op aob.nl/onderwijsblad

Beeld: Nanne Meulendijks

Voor docenten is het soms lastig om de student te zien als mogelijke fraudeur. De inspectie wijst op hetzelfde spanningsveld, maar legt ook nadruk op tijd. Vaak staan stagebegeleiders ook gewoon voor de klas en hebben ze nog veel meer taken. Werkplekbezoeken schieten er geregeld bij in, zeker bij stages in de thuiszorg of in buurthuizen, waar aanspreekpunten ontbreken en locaties moeilijk te controleren zijn. In haar beleidsreactie op het inspectierapport legt onderwijsminister Rianne Letschert de bal dan ook bij de scholen: die moeten investeren in de kwaliteit van hun eigen stagebegeleiding (zie kader ‘Ingreep minister blijft voorlopig beperkt’).

Voor docenten is het soms lastig om de student te zien als mogelijke fraudeur

Het kan ook anders. Op een derde mbo-school gaan geen docenten op stagebezoek: daar doet een klein team van medewerkers beroepspraktijkvorming (bpv) alles rond de stages, van de werkboeken tot elk locatiebezoek. Dat is goedkoper dan docenten inzetten, zegt één van die bpv-medewerkers, en het scheelt geschuif met lesroosters. Afschepen laat ze zich niet. “Als zo’n afspraak telkens op het laatste moment wordt afgezegd, maak ik de student ervoor verantwoordelijk: dit is ook een deel van je opleiding, ik moet kunnen zien wat jij doet. Eigenlijk is het me altijd gelukt. Ik ben voor de duvel niet bang.”

‘Neem stagebegeleiders serieus’

Werkplekbezoeken horen bij het vak van mbo-docent, zegt Andries Knol, hoofdbestuurder van de AOb, maar ze moeten beter gefaciliteerd worden. Het Stagepact mbo (2023–2027) schrijft minimaal drie contactmomenten per stage voor, maar volgens de tussentijdse evaluatie hebben scholen dat onvoldoende op orde. De 40 miljoen euro die via het pact beschikbaar is voor stagebegeleiding belandt volgens Knol niet in de onderwijsteams. Wat docenten verder missen, is ruggensteun. “Je meldt een signaal van fraude, en wat gebeurt er dan? Docenten die al jaren bij zorginstellingen over de vloer komen en zo’n signaal afgeven, zouden serieus genomen moeten worden.” Juist zij horen op stagebezoek te gaan, benadrukt hij: “Onderwijskundig is het belangrijk dat de docenten die de studenten lesgeven, ook in de stagebedrijven komen.”

Patronen

Ze beschrijft het welbekende ‘onderbuikgevoel’ als ze iets geks tegenkomt in een dossier of op een werkplek. Zoals te veel stagiairs op één dubieuze stageplek, allemaal op dezelfde stagedagen, in een woonbegeleiding voor maar vier jongeren.
Op haar school controleert zij of een collega elke praktijkovereenkomst - de ‘pok’ - die binnenkomt. Dit jaar viel er één op: een student had bij een bestaand leerbedrijf nét een verkeerd e-mailadres ingevuld. De school herstelde het adres stilletjes en stuurde haar gebruikelijke startmail naar het echte bedrijf. Antwoord van de contactpersoon: ik ken deze student helemaal niet. Toen ze de student vroeg de overeenkomst alsnog te laten ondertekenen, kwam er prompt een appje van een onbekend nummer: de pok is nog niet getekend, komt voor elkaar hoor. De student bleef bij hoog en bij laag volhouden dat ze bij het bedrijf op gesprek was geweest. “Het klopte van geen kanten. Maar ja, daar sta je dan, met een student die blijft volhouden.”

In iedere klas zitten er wel twee bij wie iets niet klopt

De kwaliteitsmedewerker van de particuliere school gebruikt een eigen dashboard, gebouwd door programmeurs van de school, om patronen te ontdekken. Wie loopt waar stage, welke namen en beoordelaars duiken steeds op, en hoe verhoudt dat zich tot de registraties van SBB, de organisatie die leerbedrijven erkent? Haar school richtte bovendien een aparte functie in voor iemand die meldingen puur op data onderzoekt, zonder relatie met de student. Zo werkte ze mee aan het intrekken van meerdere erkenningen van leerbedrijven. Met een aantal bedrijven doet haar school geen zaken meer. Somber wordt ze er niet van. “Wij zijn goed wakker, de wil en de drive is er. We gaan het varkentje wassen.”

Hoeveel studenten frauderen? De bpv-medewerker waagt zich voor haar eigen afdeling aan een schatting: “In iedere klas zitten er wel twee bij wie iets niet klopt.” Het gaat van te makkelijk afgetekende uren tot een stage die vermoedelijk nooit is gelopen. Het zorgrooster helpt een handje, legt ze uit: diensten wisselen, dus begeleiders wisselen. De student die er niet was toen Piet werkte, dient haar uren in bij Klaas, en Klaas tekent. “Ik weet gewoon zeker dat er heel veel uren afgetekend worden, ook bij de studenten waar niet per se een hele stage gefraudeerd wordt.”

Ingrijpen

Scholen die fraude vermoeden, hebben weinig middelen om iets af te dwingen. De school mag doorvragen of de kwaliteit van de stage in orde is, maar veel meer kunnen ze niet. Ook SBB kan niet zomaar ingrijpen. De inspectie is daar scherp over: zelfs meldingen over drugshandel, aftekenstages of schietpartijen zijn niet voldoende om een erkenning meteen te weigeren of in te trekken. Een integriteitstoets van de aanvrager, zoals een verklaring omtrent het gedrag (vog), kent de regeling niet. En wie de student daadwerkelijk begeleidt en beoordeelt in het geval van zo’n casus, weet vaak niemand, want de registratie van praktijkopleiders is vrijblijvend.

Het instrument dat verdachte patronen zichtbaar moet maken, de registratie van praktijkovereenkomsten bij DUO, is in de praktijk zo onvolledig dat signalen buiten beeld blijven. En privacyregels sluiten de laatste route af: of een specifieke student ergens stage loopt, mag een school een zorginstelling niet zomaar vragen, en zelfs SBB mag een school niet vertellen welke andere scholen bij dezelfde fraudecasus betrokken zijn.
Wat overblijft, is afgaan op wat de student zelf vertelt. En die zegt zelden hoe het werkelijk zit. Terwijl de ene school nog een klacht indient en het onderzoek loopt, kan het bedrijf alweer door naar de volgende opleider, met een nieuwe lichting studenten.

“Blijf vooral melden”, kreeg de bpv-medewerker van SBB te horen toen zij en haar collega’s stuk voor stuk een naar gevoel overhielden aan een spiksplinternieuw thuiszorgbedrijf - gelikt pand, nooit iemand te zien, als enige voorraad een pak incontinentiemateriaal op tafel. Op haar verzoek ging SBB er nog eens extra kijken. “Maar zij konden ook niks.” En schaars als stageplekken zijn, knaagt er nog iets: “Stel dat het toch een goed bedrijf is, dan doe je je studenten tekort.”

Juridisch lastig

Hoe lastig het juridisch is, bleek in een zaak die bij de rechter belandde. Een van de scholen betrapte een handvol studenten met een ongewoon sterk dossier. Een van de studenten werd verwijderd, vocht dat aan en kreeg gelijk omdat de school procesfouten had gemaakt. “We hebben echt superzorgvuldig gehandeld, met een advocaat erbij”, zegt de bron van de school waar het om ging. “En toch ging het mis. Je moet als school van ontzettend goede huize komen.”
Op een andere school liep het net zo. Daar bleken studenten vorig jaar een overeenkomst te hebben geregeld via het mailadres van iemand die ooit bij een organisatie had gewerkt; het gesprek dat volgde vond plaats in een kaal kantoortje op een industrieterrein. Er is aangifte gedaan, studenten werden geschorst. “Maar uiteindelijk moesten we ze gewoon weer terugnemen. Het heeft heel veel tijd en geld gekost.” (Tekst gaat verder onder illustratie).

Een illustratie bij een artikel over stagefraude op het mbo op aob.nl/onderwijsblad

Beeld: Nanne Meulendijks

Aan de regels wordt inmiddels gesleuteld, maar op het punt waar scholen het meest om vragen - een plek om signalen over foute bedrijven te delen waar daadwerkelijk ook wat mee wordt gedaan - blijft de reactie vaag: minister Letschert van OCW schrijft initiatieven voor gegevensdeling te ‘ondersteunen’, maar noemt geen systeem, geen verantwoordelijke partij en geen termijn. Nu vindt iedere instelling het wiel opnieuw uit. Sommige scholen zeggen zelfs: bij ons gebeurt dit niet, zegt de kwaliteitsmedewerker. De andere bronnen herkennen dat.

Op het punt waar scholen het meest om vragen blijft de reactie van minister Letschert vaag

Ingreep minister blijft voorlopig beperkt

In haar beleidsreactie op het inspectierapport kondigde onderwijsminister Rianne Letschert op 29 juni aan dat de erkenningsregeling voor leerbedrijven deze zomer wordt aangepast: SBB kan dan bij fraudesignalen zelf onderzoek doen en erkenningen intrekken zodra misstanden zijn vastgesteld. Over twee gaten die de inspectie blootlegt, zwijgt de brief: een integriteitstoets voor wie een leerbedrijf wil beginnen en de vrijblijvende registratie van praktijkopleiders.

De coördinator werkt met een zelfgemaakt document vol controles. Liever zag ze een landelijk handelingskader, zodat alle mbo’s bij vermoedens hetzelfde onderzoek doen en dezelfde sancties kunnen opleggen, mét juridische grondslag. Alle scholen zouden met beleid moeten komen. De kwaliteitsmedewerker pleit op haar beurt voor een landelijke database waarin scholen binnen de grenzen van de privacywet signalen delen. “Er zou meer snelheid in het proces moeten”, zegt ze. “Als wij een klacht indienen over een leerbedrijf, zijn we zo twee maanden verder.”

De MBO-raad zegt de signalen ‘zeker’ te herkennen en noemt landelijke kaders een gezamenlijke verantwoordelijkheid van scholen, SBB, politie en justitie. Een termijn noemt ook de raad niet.

Twijfeldiploma

De drie anonieme bronnen benadrukken dat het overgrote deel van de studenten deugt. De fraude zit bij een kleine groep, plus nep-opleiders en malafide bedrijven. En zelfs binnen die groep verschillen de verhalen. Er is de student die meteen de kortste route naar een diploma uitrekent. Er is de student die na een moeizame zoektocht via via hoort dat een stage ook ‘te regelen’ valt. En soms komen studenten zelf terug bij de school dat hun stageplek niet deugt, terwijl ze daar te goeder trouw zijn begonnen.

Mensen doen rare dingen voor geld

De bpv-medewerker kan zich er iets bij voorstellen. “Stel dat je in het derde jaar zit, wordt weggestuurd en nog twee maanden aan uren tekortkomt. Als je vindt dat je recht hebt op dat diploma, is de verleiding misschien wel heel groot. Diep in mijn hart snap ik dat ergens ook wel. Waar ligt de grens?” Haar school waarschuwt studenten er inmiddels vetgedrukt voor in de stagewerkboeken: moet je betalen voor een stageplek, trek aan de bel. “Mensen doen rare dingen voor geld”, zegt de kwaliteitsmedewerker.

Youtube-filmpje erbij

Het gevolg zijn afgestudeerde studenten die je eigenlijk niet in de zorg wil hebben. De coördinator hoorde van een stagiair hoe op een afdeling een zzp’er werd ingeschakeld om bij een cliënt een katheter te verwisselen. Die deed dat met een Youtube-filmpje erbij. Door diplomafraude kunnen mensen in de zorg gaan werken die de vereiste vaardigheden missen, schrijft de inspectie. 

Het zwaarst weegt daarom misschien wel het moment waarop de coördinator een diploma moet helpen afgeven terwijl ze het niet vertrouwt. De stage is, zo rekent ze voor, ongeveer een kwart van het diploma waard. Maar staan eenmaal alle seinen op groen vanwege het ontbreken van bewijs, dan kun je een student het diploma niet zomaar weigeren op een onderbuikgevoel. “Zodra iemand een handtekening onder een diploma zet, moet je erop kunnen vertrouwen dat het waardig is gehaald”, zegt ze. “En dat vertrouwen valt hier soms weg.”