Bijna 80 procent van de docenten in het voortgezet onderwijs ervaart een hoge tot zeer hoge werkdruk.
Bijna 80 procent van de docenten in het voortgezet onderwijs ervaart een hoge tot zeer hoge werkdruk.

Beeld: Typetank

Werkdruk onderbelicht in onderzoek voortgezet onderwijs

Vier op de vijf docenten in het voortgezet onderwijs ervaren een hoge tot zeer hoge werkdruk. Dat blijkt uit onderzoek in opdracht van Voion, een organisatie die zich bezighoudt met de arbeidsmarkt in het voortgezet onderwijs.

Het is even speuren voordat je de cijfers over werkdruk in de stukken tegenkomt. Voion rept er in haar persbericht niet over. En ook in het onderzoek zelf staat de uitkomst redelijk verstopt halverwege het rapport. CAOP, de organisatie die het onderzoek uitvoerde, legt uit dat de gegevens over werkdruk niet meegenomen konden worden in de analyse*Elke twee jaar maakt CAOP in opdracht van Voion analyses van de enquêteresultaten van het landelijke Personeels- en Mobiliteitsonderzoek (Pomo). Dat is een vragenlijst die het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) uitzet onder tienduizenden medewerkers in de publieke sector. De opzet van de enquête wijzigt vrijwel elke keer, wat het lastig vergelijken maakt met voorgaande jaren. Wat ook opvalt: sinds 2014 is de presentatie van de resultaten steevast positief. Tevredenheid, en de mate waarin, is het uitgangspunt. Verder is de kleurstelling verwarrend. De groep mensen die aangeeft ergens (zeer) ontevreden over te zijn krijgt bijvoorbeeld in de staafdiagrammen de kleur groen. . Henrik de Moel, docent geschiedenis- en maatschappijleer, werkt voor de AOb. Hij denkt dat Voion er niet bij gebaat is de schijnwerpers op werkdruk te zetten. “Zij moeten ervoor zorgen dat het voortgezet onderwijs als een aantrekkelijke werkomgeving wordt gezien.”

Voion bracht het onderzoek begin maart naar buiten onder de kop Resultaten onderzoek werktevredenheid VO-personeel vrijwel ongewijzigd. En dat klopt ook. De meeste bevindingen verschillen nauwelijks met daarvoor. Neem werkdruk. In 2012 was 79 procent van de docenten hier al ontevreden tot zeer ontevreden over. Twee jaar later werd er niet letterlijk naar gevraagd, maar had 44 procent van de leraren last van hoge of zeer hoge administratieve lasten. Steevast staat dan ook in het rijtje aanbevelingen dat vo-instellingen iets moeten doen aan de werkdruk.

Dichtgetimmerd

De werkgevers, vertegenwoordigd door de VO-raad, menen dat de werkdruk onder andere hoog is omdat alle taken inclusief de bijbehorende uren zijn vastgelegd. Taakbeleid heet dat. Volgens de raad is het slim om daar een stuk soepeler mee om te gaan. “Bij een minder dichtgetimmerd en op klokuren gebaseerd taakbeleid kan de verdeling van taken en rollen meer bij zelfverantwoordelijke teams worden belegd”, stelt de VO-raad in zijn plan Naar een aantrekkelijk lerarenberoep in een sterke sector uit 2016.

“Zeggen dat het aan het taakbeleid ligt is veel te makkelijk”

De Moel, van de AOb, ziet weinig heil in deze weg. “Zeggen dat het aan het systeem van het taakbeleid ligt, is veel te makkelijk. De oorzaak van de hoge werkdruk is gewoon dat er teveel werk is.” Hij noemt wat voorbeelden. “Voorheen kreeg je bijvoorbeeld honderd uur per jaar om je mentorraat te vervullen, nu is dat tachtig.” Daarnaast is op veel scholen de opslagfactor omlaag gegaan: “De school waar ik werk heeft bijvoorbeeld een opslagfactor van 1,6. Dat betekent dat ik op een les van 50 minuten ongeveer 30 minuten tijd heb om deze les voor te bereiden, huiswerk na te kijken, een proefwerk te maken enzovoorts. Soms kom je nog factor 1,8 tegen, maar doorgaans werken scholen met een lagere opslagfactor.” Daarnaast zijn er volgens De Moel vaak meer taken in zo’n opslagfactor gestopt: “Dan moet je bijvoorbeeld ook ouderavonden of rapportvergaderingen binnen die tijd doen. Veel te veel dus. Bovendien zien we dat klassen gemiddeld steeds groter worden, terwijl leerlingen meer en ingewikkeldere problemen hebben.”

“Het is het mooiste vak wat ik nooit meer wil doen”

Jonge docenten

Susan Scholten (30) ervaart deze werkdruk dagelijks. Veel meer avonden dan haar lief is spendeert ze achter de laptop. Inmiddels staat ze vier jaar fulltime voor de klas op twee verschillende scholen. “Ik las steeds vaker blogs en opinieberichten*Zeik niet zo, dacht Sip Markink als het weer eens over de hoge werkdruk ging tot hij ‘weer tot laat in de avond zat na te kijken, tijdens een feestje met een cocktail aan mijn waffel de les voor maandag zat te bedenken en niet kon slapen omdat ik te betrokken was bij een leerling met problemen’. Lees waarom Markink het onderwijs vaarwel zegde in NRC (november 2017).
Toen Claudia de Jong, ex-docent Frans, zich afvroeg of de extra vergaderingen in verband met een moeilijke groep een plek kregen in haar normjaartaak, volgde hoongelach van haar collega’s ‘Nééééééé… wélkom in het onderwijs!!!’ Ze schreef december vorig jaar de blog Dag lieve leerlingen.
Maaike de Lange, zij was twee jaar docent Nederlands in het voortgezet onderwijs, vraagt zich begin deze maand in het Parool af of misschien alleen startende docenten de moed hebben om weer te stoppen ‘simpel omdat ze beseffen niet te willen verbitteren’.
Lesgeven is vooral burn-out management, schrijft Johannes Visser eind 2016 voor de Correspondent. Plus: alle ambtenaren die roepen dat leraren ‘elke dag het verschil maken’ zijn zelf maar wat blij dat ze niet dagelijks voor de klas hoeven te staan, stelt Vermeer.
Een derde van de docenten onder de dertig stopt binnen vijf jaar met lesgeven. Aafke Romeijn, zelf oud-docent, werkte officieel elf uur verdeeld over twee dagen in de week, maar was vaak op vier dagen op de school aanwezig. Bijna twee jaar geleden vertelde ze er uitgebreid over in Vrij Nederland.
van jonge, bevlogen docenten die de werkdruk niet meer accepteren en het onderwijs verlaten. Heel erg jammer, ik had hen graag als collega’s gehad.” Zelf klom ze begin februari in de pen en beschrijft hoe frustrerend het is dat het niet lukt het werk op een goede manier te doen in de tijd die ze daarvoor heeft. “Ik twijfelde wel even om het te plaatsen, want ik vind m’n werk juist ook heel leuk en belangrijk. En ik wil niet m’n eigen glazen in gooien. Ik ben kunstdocent, daar zijn geen tekorten in. Maar de werkdruk is echt een struikelblok. Eén van die jonge, ooit sterk gemotiveerde, ex-docenten mailde me: ‘Het is het mooiste vak wat ik nooit meer wil doen’.”

“Men weet het wel, maar er gebeurt gewoon te weinig”

Ook uit het Voion-onderzoek blijkt dat docenten wel degelijk tevreden zijn met hun baan (82 procent in 2016). Dat heeft vooral te maken met de mate van zelfstandigheid, de inhoud van het werk en de samenwerking met collega’s. Maar daarnaast speelt dus de werkdruk. In haar blog suggereert Scholten om de uren te gaan werken waar docenten daadwerkelijk voor worden betaald. Maar wat haar betreft blijft dat een fictief experiment. “Uiteindelijk sta ik er voor de leerlingen, zij mogen niet de dupe worden”, zegt zij. “En ik heb mezelf er mee, want als ik een les niet goed voorbereid sta ik minder zeker voor de klas. En ook dat treft uiteindelijk weer de leerlingen. Ik denk bovendien dat men het heus wel weet, de besturen, de overheid, maar er gebeurt gewoon te weinig, zeker voor startende docenten.”

Acties

Dat vindt de AOb ook en daarom roept ze personeel in het voortgezet onderwijs op om hun werkdrukervaringen te delen met de hashtag #VOonderdruk. Bovendien starten deze maand acties. Als eerste een protest bij het jaarlijkse congres van de VO-raad, aanstaande donderdag 29 maart. Henrik de Moel: “Ik nodig docenten uit om daar hun stem te laten horen.” Meer informatie over de AOb-acties in het voortgezet onderwijs, lees: Eerste acties voor goede cao voortgezet onderwijs. Onderaan dat bericht staat praktische informatie over aanstaande donderdag.

 

Andere opvallende conclusies uit het werktevredenheidsonderzoek:

  • Onderwijsondersteunend personeel (oop) heeft minder last van werkdruk dan onderwijzend personeel. In 2016 gaf 63 procent van de oop’ers aan tevreden of zeer tevreden te zijn met de hoeveelheid werk. Onderwijzend personeel onderschreef deze stelling veel minder vaak: 33 procent.
  • Bijna één op de vijf docenten (18 procent) is niet of absoluut niet te spreken over zijn direct leidinggevende.
  • 65 procent van het personeel in het voortgezet onderwijs – dat is inclusief oop en directiepersoneel – heeft in 2015 (het jaar voorafgaand aan de laatste enquête) een opleiding of training gevolgd. 9 procent deed dat niet, maar wil het wel. Een kwart zegt geen opleidingen te hebben gevolgd en wil dat ook niet.
  • Een derde van de oop’ers heeft in 2015 geen formeel gesprek met de leidinggevende gevoerd. Dit geldt voor iets meer dan één op de vijf leraren.

Bekijk alle resultaten hier.

 

Meer nieuws

Virtuele kleuters huilen niet

Kleuterklassen zijn voor sommige studenten aan de academische pabo de lastigste stageplek. In een virtuele lesomgeving van de Rijkuniversiteit Groningen oefenen ze strategieën voor klassenmanagement... LEES VERDER