“Mijn leraar kunstgeschiedenis Mark Mastenbroek van Het Geert Groote College, de vrijeschool in Amsterdam, kon zo mooi vertellen. Hij zong ons, leerlingen, naar zich toe. Van hem leerde ik doorgronden hoe schoonheid tot je komt.
Hij vertelde over hoe de hoekzuil van een Griekse tempel een fractie dikker is dan alle andere zuilen, iets dat je niet direct waarneemt met het blote oog, maar die onzichtbare afwijking zorgt wel voor schoonheid. Hij vertelde ook over de Russische revolutie. In die tijd waren veel kunstwerken verdwenen uit de musea, maar de suppoosten kenden de schilderijen zo goed, dat ze op de kale muur konden aanwijzen wat de voorstelling was en hoe de lichtinval was. Hij vertegenwoordigde voor mij een leven waarin je kon scheppen en verhalen kon brengen. Hij was niet alleen leraar, maar ook schrijver en reisleider. Later las ik in zijn boek De maagd van Passy over dat verlangen naar schoonheid weer terug.
Na mijn Cito-toets op de lagere school zei mijn leraar ‘Stuur hem maar naar een zo gewoon mogelijke school, want creatief blijft hij toch wel.’ Ik ging toen naar het Amsterdams Lyceum, maar daar vond ik helemaal geen aansluiting. Dat was een heel eenzame tijd. Ik was een over-expressief jongetje, als ik van Madonna en Prince hield, dan wilde ik ze allebei nadoen op de bonte avond. Kinderen zeiden dan: ‘Waarom doe je dit? Zo zal je nooit vrienden krijgen.’ Ik antwoordde dat vrienden me toch moeten waarderen om hoe ik ben. Op twaalfjarige leeftijd voerden we al zulke gesprekken.
Op de vrijeschool was het echt thuiskomen. Er was meer ruimte voor creatief denken. Daar werd ik ook wel een keer geconfronteerd met iemand die zei ‘we willen geen Turken in de klas’, maar dat werd grondig opgepakt. Iedereen moest een opstel schrijven over discriminatie of anders zijn.
Mark zei een keer tegen mij: ‘Je balanceert op de grens van genialiteit en onhandigheid’
Ik schreef altijd al verhalen en gedichten. Mark zei een keer tegen mij: ‘Je balanceert op de grens van genialiteit en onhandigheid’. Dat hij het woord geniaal noemde, kwam natuurlijk binnen. Ook thuis schreef ik elke dag een half uur tot een uur. Mijn moeder suggereerde ook dat ik misschien wel een echte schrijver zou zijn. Mijn vader was acteur, hij was van de eerste generatie Marokkaanse mannen die in de jaren zestig naar Amsterdam was gekomen.
Mark vroeg mij om een gedicht te schrijven over de verdwijning van Joodse kinderen in de Tweede Wereldoorlog van onze school. Ik was toen zeventien. Dat gedicht is achter een glasplaat op school vereeuwigd. Kort daarna won ik, op diezelfde leeftijd, de El Hizjra Literatuurprijs.
Mark had een losse soepele manier van lesgeven, maar soms ging ik of een andere leerling een stap te ver. Ik was nog steeds die drukke, expressieve leerling die elke keer als ik een associatie had meteen een vraag had of een verhaal wilde vertellen aan mijn buurman. Dan kon hij wel kwaad worden. Hij zei dan: ‘Ik heb niet met je geknikkerd’. Daarmee bedoelde hij dat we niet van dezelfde leeftijd zijn. Het was een oproep voor respect. Na de les bleef ik vaak hangen. Dan wilde ik napraten over Hellas, het oude Griekenland. Het hield nooit op bij mij, ik wilde altijd meer, nog steeds.
Op een gegeven moment vroeg Mark of ik periodelessen wilde komen geven op Het Geert Groote College. Weer had ik de wind in de zeilen. Iemand die liet weten het is goed dat jij je stem laat horen. Toen werd hij een collega, maar dat voelt nooit gewoon, hij blijft altijd mijn leermeester."
'Rashid was veelzijdig begaafd'
Mark Mastenbroek (81): “Rashid was veelzijdig begaafd. Bij handenarbeid hield je je hart vast, er kwam altijd een flits waarbij zijn schijnbaar zinloze rommel op zijn plek viel. Rashid kon ook een sterke speler zijn in het sociale tableau van de klas. De laatste nacht van schoolreizen is berucht: ordeproblemen, weglopen, alcohol. Ik verzamelde de klas: Dat gaat dus níet gebeuren. Rashid maakte een plan om met een tiental leerlingen de hele nacht wakend in een kring in het gras te zitten. Hij stond garant. De volgende ochtend om zeven uur zat zijn groepje er nog. In levendig gesprek, op gedempte toon, in het licht van de ochtendzon.”