Waarom schrijft hij toch zo zuur? Ton van Haperen geeft in deze column antwoord op de vraag die hij al dertig jaar te horen krijgt.
Tekst
VO-Docent en lerarenopleider Ton van Haperen
-
-
2 Minuten om te lezen
Beeld: Typetank
Dertig jaar schrijf ik over onderwijs. Vanaf de eerste publicatie krijg ik dezelfde kritiek. Waarom toch zo zuur? En ik begrijp die reactie wel. Maar ik pakte de pen op vanwege de op volle toeren draaiende mallemolen van vergissingen. Een bekostigingsstelsel dat geld van klas naar kantoor overhevelt. Pedagogische opvattingen rond eigen verantwoordelijkheid die kinderen beschadigen. Dalende eruditie in het kennisinstituut school. Onbevoegden die leerprestaties beoordelen. Door daar decennia over te schrijven ging ik scherper kijken. Kijken resulteert in zien, van voyeur naar voyant. Ik zie waar het misgaat en het mag pedant klinken, ik vergis me zelden.
Een recent voorbeeld. Een in het parlement breed gesteunde motie van Kamerlid Rooderkerk (D66) en anderen. Vakinhoudelijke kennis en pedagogisch didactische kwaliteiten bepalen kwaliteit van leraren, daarom moet de minister met de beroepsgroep in gesprek over tijd vrijmaken voor professionalisering. En ja, amateurisme in het beroep is een probleem. Tijd niet. Van de 1659 werkuren geven leraren 720 uren les. Maar ja, lerarenopleidingen brengen geen eenduidig referentiekader van goed onderwijs aan. Vrijblijvende studiedagen die vakinhoudelijk en didactisch weinig voorstellen missen elk rendement. Een sociale infrastructuur die leraren opvoedt in het beroep bestaat niet. De beroepsgroep kent daardoor geen cohesie, het zijn persoonsgebonden en intuïtieve opvattingen die het handelen in de klas bepalen. Met als gevolg de eigen tijd eerst-strategie. Om drie uur is de school leeg. Kortom, met nog meer tijd gaat de sector niet werken aan verbetering. De toegevoegde waarde van de motie Rooderkerk is nul.
De beroepsgroep kent geen cohesie, het zijn persoonsgebonden en intuïtieve opvattingen die het handelen in de klas bepalen
Mij doet deze symboolpolitiek denken aan het boekje Being There (1970) van Jerzy Kosinski. De hoofdpersoon is een cognitief beperkte man die in een tuin werkt: Chance. Naast tuinieren kijkt Chance televisie. Als zijn beschermheer overlijdt treedt hij naar buiten onder de naam Chauncey Gardener. En dan gebeurt er iets wonderlijks. Hij combineert oppervlakkige televisieteksten met kennis van tuinieren. ‘Zolang de wortels niet worden doorgesneden, is alles in orde.’ Dat niveau. Hij komt op televisie, adviseert de president, vrouwen zijn gek op hem en dan gaat het mis, want zoenen kent hij van tv, van het vervolg heeft hij geen idee. Chauncey is een impotente messias.
Impotente messiassen domineren het onderwijs-bestuurlijk-politiek complex. Hun ijle hoog-over retoriek zet de elektrische deken op de hoogste stand. Daaronder ligt iedereen zelfgenoegzaam te tukken. Deze georganiseerde indolentie is gekmakend. Of, in de woorden van Leonard Cohen: They sentenced me to thirty years of boredom, for tryin’ to change the system from within.
Mijn werkzaam leven heb ik doorgebracht in een sector die geen enkele collectieve succeservaring kan overleggen. Duur betaalde verloedering racet op topsnelheid elke u-turn voorbij. En tegen iedereen die dit een zuur stukje vindt, zeg ik: lees het dan niet tot de laatste regel, sukkel!
Meer onderwijsblad lezen? Word AOb lid!
Als lid heb je toegang tot alle onderwijsbladen. Meer over alle voordelen vind je hier.