Werk met plezier met alle generaties
Ze stromen de school in vol energie, ideeën en een frisse blik. Maar ergens tussen de eerste werkdag en het einde van het eerste jaar kan dat enthousiasme zomaar wegsijpelen. Niet omdat jonge docenten het verkeerde vak kiezen, maar omdat scholen niet altijd ruimte maken voor wat ze meebrengen.
Tekst Rianne van der Molen - - 6 Minuten om te lezen
Scholen maken niet altijd ruimte voor de ideeën van buiten die nieuwe docenten meebrengen. Beeld Nanne Meulendijks
Het is eind jaren negentig als sociaal psycholoog Aart Bontekoning voor het eerst echt wakker wordt geschud. Hij geeft gastlessen op de academie voor veiligheidsmanagement (die inmiddels niet meer bestaat) en ziet gedreven en enthousiaste studenten. Maar een jaar later, na hun stage, herkent hij ze nauwelijks meer. Lusteloos hangen ze in de collegebanken. “Ik schrok me kapot”, zegt Bontekoning. “En vroeg: wat is er gebeurd?” Wat volgde, waren verhalen over het verschil tussen hun verwachtingen en de werkelijkheid. “Ze merkten dat er helemaal geen interesse was voor hun nieuwe ideeën. De meeste organisaties wilden alles bij het oude laten.”
Nieuwe generaties zijn gericht op het vernieuwen van verouderde gewoonten
Voor Bontekoning werd dit het begin van een jarenlange zoektocht naar hoe verschillende generaties het beste kunnen samenwerken. Zijn conclusie na jaren onderzoek: “Nieuwe generaties zijn gericht op het vernieuwen van verouderde gewoonten. Dat is goed, want gewoonten hebben een houdbaarheidsdatum. Als die verstrijkt, nemen ze steeds meer werkenergie weg. Het vernieuwen of updaten doet juist het tegenovergestelde. Dat verhoogt het werkplezier en de prestaties.”
Denk bijvoorbeeld aan vergaderen. Door de coronaperiode hebben we gezien dat dit ook best online kan. Toch gingen daarna veel bedrijven terug naar fysiek vergaderen. “Jongere werknemers vragen zich dan af: is dat altijd nodig? Moet je als docent altijd naar school komen voor een vergadering of kan het soms ook gewoon online?”
Scheer generaties niet over een kam
Over Gen Z - de generatie die geboren is tussen 2000 en 2015, waarvan de jongste lichting nu de arbeidsmarkt betreedt - wordt veel gesproken. De toon is zelden positief. ‘Sneeuwvlokjes’ worden ze genoemd, grootgebracht door ‘curlingouders’ die alle obstakels voor hen hebben weggehaald. Stephen van der Leij, voormalig pastor op een mbo en nu beleidsadviseur bij mbo-college Firda, kent die vooroordelen. “Maar ik ben het er niet mee eens.” In zijn boek Geef Gen Z gewoon haar zin onderzoekt hij zingeving bij deze generatie. “Door het schrijven ontdekte ik sowieso dat je geen hele generatie over één kam kan scheren. In elk hoofdstuk spreek ik een andere jongere en ze zijn allemaal totaal anders. Maar wat mij wel opviel, was dat ze veel bewuster bezig zijn met hoe ze hun leven willen vormgeven.”
Dat heeft volgens Bontekoning alles te maken met de manier van opvoeden, die de laatste dertig jaar enorm is veranderd. Ouders stimuleren hun kinderen, geven positieve feedback en hanteren een coachende stijl. Thuis is het allang niet meer vanzelfsprekend dat de ouder als enige bepaalt. Maar zodra diezelfde ouders in hun auto stappen en naar het werk rijden, verschuift er iets. “Dan denken ze opeens dat het prima is om een top-down organisatie te runnen. Het verschil tussen hoe we thuis met elkaar omgaan en op het werk, verrast jongeren als ze aan het werk gaan.”
Bontekoning illustreert dit graag aan de hand van een sessie die hij verzorgde in een ziekenhuis. Hij nam acteurs mee die twee dagelijkse scenes naspeelden. Eén keer uitgevoerd door een open, gelijkwaardig team en daarna een keer door hiërarchisch functionerend team met een dominant figuur aan het hoofd. Daarna vroeg hij de zaal welk team beter presteerde, welk team gezonder was voor de teamleden uit alle generaties en welk team de patiënt het meeste vertrouwen gaf. Alle drie de keren wees meer dan 90 procent van de aanwezigen op het gelijkwaardige team. “Het blijft wonderlijk dat vrijwel iedereen meteen ziet wat het verschil is, maar dat het toch moeilijk is om zo’n hiërarchische structuur te doorbreken.”
Je grenzen aangeven is geen zwakte
Bontekoning deed ook onderzoek op hogescholen naar studenten die dreigden af te haken. De dieperliggende oorzaak bleek geen luiheid of gebrek aan doorzettingsvermogen, maar een gevoel van machteloosheid. “Als ik doorvroeg, merkte ik dat het vaak zat in invloed. Studenten van nu vinden het vaak belachelijk dat iemand anders precies bepaalt wat ze moeten leren. Ze willen invloed op het leerproces.”
Van der Leij herkent dit patroon uit zijn tijd als pastor op het mbo. Door gesprekken met studenten die naar hem werden gestuurd omdat ze volgens zijn collega’s ‘veel te weinig deden’. “Ze gingen naar school omdat het moest, maar konden er geen betekenis aan koppelen. Zodra ze een vak ontdekten waar ze echt lol in hadden en toekomst in zagen, konden ze opeens wél hard werken.”
Het verschil tussen hoe we thuis met elkaar omgaan en op het werk, verrast jongeren
Zowel Bontekoning als Van der Leij wijzen op een fundamentele verschuiving die van docenten wordt gevraagd: van kennisoverdrager naar coach. Studenten van nu hebben geen behoefte aan iemand die hen vertelt wat ze moeten weten; ze hebben iemand nodig die hen helpt te ontdekken waarom iets ertoe doet. Dat vraagt van docenten dat ze vragen stellen in plaats van antwoorden geven, en dat ze leren luisteren zonder meteen te oordelen. Dat jongeren tegenwoordig sneller hun grenzen benoemen en makkelijker over gevoelens praten, wordt volgens Bontekoning onterecht als zwakte gezien. “Ze hebben vaak thuis geleerd dat praten over hun gevoelens goed is voor hun mentale welzijn. En dat is natuurlijk ook zo. Dus daar kun je als collega of docent juist van leren.”
Minder werken en efficiënter vergaderen
Ook bij de werving van nieuwe (jonge) collega’s valt winst te halen, denkt Bontekoning, als scholen bereid zijn daar onderzoek naar te doen. Hij adviseert om te beginnen met het bevragen van de jonge medewerkers die er al zijn: waarom kozen zij voor jouw instelling? Zelf sprak hij met jongeren die in een ziekenhuis werkten. Daar ontdekte hij dat de keuze voor die werkplek vooral te maken had met de warme, familiare sfeer in de organisatie. “Als je dat weet, kun je gaan werven met een video waarin dat gevoel naar voren komt. Maar het begint met ontdekken en luisteren naar de jonge mensen die al bij je werken.”
Van der Leij gaat nog een stap verder. Wat hem betreft kunnen oudere generaties actief leren van jongeren die starten in het onderwijs. Niet alleen in het belang van die jongeren. “Jongeren zijn gewend dat dingen snel gaan en vragen zich af of een vergadering niet efficiënter kan. Meestal kan dat ook. En ze willen misschien minder uren werken, omdat ze tijd over willen houden voor hun sociale leven.”
Vernieuwen is goed, want gewoonten hebben een houdbaarheidsdatum
Voor een oudere werkgever, die geleerd heeft om hard te werken en niet te zeuren, kan dat brutaal voelen. Maar Van der Leij stipt aan dat er vaak meer achter zit. “Sommige jongeren hebben bij hun ouders gezien hoe zwaar het was met die volle werkweken. Ze weten bovendien hoeveel mensen uitvallen met een burn-out. Dat willen ze voorkomen. Dus doe jongeren niet te snel af als zwak, maar zie hun visie als een spiegel die we als maatschappij hard nodig hebben.”
Voor docenten die morgen weer voor de klas staan of een nieuwe collega verwelkomen, begint het bij een simpele maar wezenlijke keuze: ga echt het gesprek aan. Niet om te overtuigen of te corrigeren, maar om te begrijpen. Bontekoning: “Zodat de energie waarmee een nieuwe generatie het onderwijs binnenkomt, niet weglekt, maar gebruikt wordt om een organisatie toekomstbestendig te maken en houden.”
Aart Bontekoning geeft 15 september een AOb-wetenschapscollege ‘Werk met plezier met alle generaties’ in Utrecht en online.. Ga voor meer informatie naar de website van de AOb