Slechts 19 van de 57 leerlingen van de Joodse school overleefden de oorlog
In de Tweede Wereldoorlog werden er op Duitse bevel overal in Nederland Joodse scholen opgericht. Oud-schooldirecteur Frans de Heus (70) bracht een boek uit over de Joodse school in zijn stad, Apeldoorn. “De leerlingen misten allemaal hun oude klasgenoten.”
Tekst Maaike Lange - Redactie Onderwijsblad - - 9 Minuten om te lezen
Peppie en Greetje Chajes op de Joodse school. De tweeling overleefde concentratiekamp Bergen-Belsen. Beeld: archiefbeeld
Niet ver van het gebouw dat tijdens de Tweede Wereldoorlog de Joodse school was, woont een oud-leerling van de school. Zij is 91 jaar. Samen met haar ouders overleefde ze de Tweede Wereldoorlog. “De herinneringen van Rika de Winter zijn nu niet meer zo helder”, vertelt Frans de Heus. “Maar enkele weken geleden zei ze plotseling: ‘Ik snap echt niet waarom mijn moeder die ster op onze kleren naaide. Ik vond dat zo erg.’ Even was ze weer helemaal in de emotie van toen. De tranen stonden in haar ogen.”
Ik snap echt niet waarom mijn moeder die ster op onze kleren naaide
Frans de Heus is gepensioneerd directeur van achtereenvolgens drie basisscholen in Apeldoorn. Veertig jaar werkte hij in het basisonderwijs. Toen hij een paar jaar geleden op het verhaal stuitte van de op Duits bevel opgerichte Joodse school in zijn woonplaats, was hij geraakt. Het begon met een ontmoeting met een andere leerling van de school die de oorlog had overleefd, de nu 95-jarige Wolfgang Kotek. Aan het begin van de oorlog was Kotek door zijn grootouders uit Duitsland naar Apeldoorn gebracht. Een half jaar zat hij op de Joodse school. “Volgens Kotek waren vrijwel alle mede-leerlingen omgekomen in concentratiekampen. Ik dacht, vol hoop, er zullen toch zeker wel enkele leerlingen meer de oorlog hebben overleefd. Dat wilde ik uitzoeken.”
Alle 57 kinderen van de Joodse school en vijf leerkrachten heeft hij tot leven gewekt door hun verhaal op te tekenen en ze met foto’s in beeld te brengen. Veel informatie vond hij in het gemeentearchief in Apeldoorn, bij het Niod en in het Nationaal Archief. “In het Apeldoornse gemeentearchief is correspondentie bewaard gebleven over de start en de financiering van de Joodse school. Ook de brieven tussen de gemeente en het Joodse schoolhoofd zijn er.”
Via overlevenden kreeg De Heus persoonlijke verhalen te horen die tot dan toe nergens waren vastgelegd. Ook vond hij veel informatie op de website Joods Monument.
Verzet bleef uit
“Het was zomer 1941”, vertelt De Heus. De scholen waren dicht en leerlingen en leraren vierden vakantie. Half augustus kreeg de gemeente Apeldoorn een brief van de secretaris-generaal van het ‘Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming’ waarin stond dat er een nieuwe school moest komen voor Joodse kinderen. Het departement meldde aan alle schoolhoofden dat ze na 1 september geen Joodse kinderen meer in de klas mochten toelaten. Onder de brief stond een Nederlandse handtekening. “Dat de brief in de vakantie werd verstuurd, was slim, zo bleef verzet uit en bleef alles rustig”, zegt hij. Beetje bij beetje scherpten de nazi’s hun maatregelen aan ten aanzien van Joodse mensen. “In de brief stond ook dat er zo snel mogelijk een Joodse school opgericht moest worden omdat Joodse kinderen niets tekort mochten komen.” (Tekst loopt verder onder foto).
Gebouw Beth-El, ca. 1920, van 1941 t/m 1943 was in dit gebouw de Joodse school in Apeldoorn gevestigd.
In dezelfde tijd, zomer 1941, ontdekte De Heus, wilden Duitse militairen en NSB’ers dat er een Duitse school kwam in Apeldoorn voor hun kinderen. “Het was lastig om een plek te vinden voor de Joodse school, maar een Duitse school was snel geregeld. Een bestaande school werd gekozen, en alle leerlingen werden verspreid over andere scholen. Het hoofd, die in een mooie villa naast de school woonde, moest vertrekken. De heer Wolf, het hoofd van de nieuwe Duitse school, trok er in.”
In archieven vond De Heus dat er 44 duizend gulden nodig was om de Duitse school in te richten. “Dat bedrag stelde de gemeente meteen beschikbaar, er was nauwelijks verzet. Binnen de kortste keren konden de Duitse kinderen naar hun nieuwe school.”
Intussen zaten de Joodse kinderen thuis. “De hervormde gemeente in Apeldoorn bood toen haar kerkgebouwtje aan om als school te gebruiken. Snel moesten stoeltjes, bankjes en lesmateriaal bij elkaar gesprokkeld worden. Met als resultaat een allegaartje van boeken en leermiddelen. Het hoofd van de school schreef toen naar de gemeente: ‘De helft van de boeken is van een andere druk. Hier is niet mee te werken.’
Op weg naar school uitgescholden worden
Die zomer werden overal in Nederland Joodse kinderen uitgesloten van het reguliere onderwijs en werden Joodse scholen opgericht. In totaal ongeveer tachtig, waarvan alleen al veertig in Amsterdam.
De Joodse Raad regelde Joodse leraren voor de scholen. “Op 1 november 1940 waren Joodse leraren overal al ontslagen en thuis komen te zitten. Sommigen konden nu weer aan de slag op een Joodse school.”
“Pas op 22 december ging de Joodse school in Apeldoorn open”, vervolgt De Heus. Vanuit het centrum moesten de leerlingen nu 3 kilometer lopen, hun nieuwe school was aan de rand van de stad. Onderweg kwamen ze langs de Duitse school. “Enkele leerlingen die de oorlog hebben overleefd, vertelden hoe vreselijk ze het vonden. Allereerst moesten ze weg uit hun vertrouwde omgeving. En onderweg werden ze nu uitgescholden door de NSB-kinderen van de Duitse school. Als schoolhoofd van de Joodse school werd een jonge onderwijzer uit Groningen aangesteld. “Het was zijn eerste echte baan en hij nam dat heel serieus.” In een brief aan de gemeente vroeg hij om nieuw lesmateriaal. “Hij moest van de gemeente een leerplan schrijven en hij deed dat heel uitgebreid. Zoveel uren voor het vak Nederlands, rekenen, Duits. Het is heel bizar, hij maakte heel serieus een leerplan, terwijl er al lang plannen in de kast lagen om alle Joden om het leven te brengen.”
Judith, Ineke en Levi Spier. Judith en Ineke Spier zaten op de Joodse school, het gezin werd in 1943 vermoord in Sobibor. Bron: Joods Monument
“Jammer genoeg heb ik geen foto van het schoolhoofd gevonden uit die tijd”, zegt De Heus. “Zijn naam was Frits Mozes Cohen. Op een gegeven moment misdroeg één van de leerlingen zich en stuurde hij een brief naar de ouders en de gemeente om de leerling voor drie dagen te schorsen. De brief stuurde hij op donderdag 1 oktober. Op 2 oktober was er een grote razzia in Apeldoorn, 70 mensen werden opgepakt. De razzia’s waren meestal op vrijdag omdat de meeste Joden dan thuis waren vanwege sabbat. Ook Frits Mozes Cohen werd opgepakt en de twee onderwijzers die lesgaven op de school. Ze gingen naar Westerbork.”
“Het schoolhoofd heeft geen idee gehad”, zegt De Heus. De maatregelen tegen Joden kwamen intussen ook niet meer in de krant. Ze verschenen alleen nog in het Nieuw Israëlietisch Weekblad, zodat de rest van de bevolking niet wist wat er allemaal gebeurde. “Het hoofd van de school had eerder nog aan de wethouder geschreven: ‘Deze kinderen moeten volgend jaar allemaal naar het middelbaar onderwijs, ik wil daarom wat afwijken van het normale lesrooster om ze nog wat meer mee te geven.’ Het antwoord in een brief van de wethouder luidde: ‘Nee, je houdt je aan het lesrooster.’ Hij moest alles rapporteren.”
Gedenkteken
Op 15 april zal Wolfgang Kotek samen met een Apeldoornse wethouder Peter Messerschmidt een gedenkteken onthullen op het gebouw van de voormalige Joodse school. De stichting Verdwenen Joodse Scholen heeft al meer van deze plaquettes aangebracht op voormalige Joodse scholen. Ook de leerlingen van groep 8 van de Parkenschool zijn aanwezig. In de oorlog gingen 29 Joodse kinderen van deze school naar de Joodse school. De Parkenschool heette toen Rijksleerschool.
“De school moest toen verder met nog maar 15 kinderen. Sommigen waren intussen ondergedoken. Een van de ouders ging lesgeven.” Totdat de laatste grote razzia in Apeldoorn plaatsvond. Het Apeldoornsche Bosch was een instelling voor geestelijk en lichamelijk gehandicapte Joden. Veel Joden hadden zich daar schuil gehouden omdat ze dachten daar veilig te zijn. Alle patiënten en een deel van het personeel werden in vrachtwagens geladen, met de trein naar Auschwitz gedeporteerd en direct na aankomst vermoord. “Zo werden 1400 Joden in Apeldoorn afgevoerd. De Joodse school hield op te bestaan.”
Een klein groepje overlevers kwam terug
Na de oorlog kwamen de eerste leerlingen die de oorlog hadden overleefd, terug in Apeldoorn. De tweeling Greetje en Peppie Chajes (zie foto bovenaan artikel) hadden concentratiekamp Bergen-Belsen overleefd. “De winkel van hun ouders was leeg gestolen. Ze hadden niets meer. Na de zomer gingen ze weer naar een normale school. ‘En wat vroeg de leerkracht’, vroeg ik aan Peppie. Niets, er werd niets gevraagd, er werd niet over de oorlog gepraat.”
Wolfgang Kotek had de oorlog overleefd omdat zijn vader bij de gemeente had aangevochten dat hij Jood was. “Zijn vader zei dat hij niet Joods was opgevoed en dat twee van zijn grootouders niet Joods waren. Hij mocht de Joodse school na een half jaar verlaten en was daarmee gered.”
“Ook Rika de Winter overleefde de oorlog en kwam terug naar Apeldoorn. Zij was nog heel jong geweest op de Joodse school. Ze had in haar eentje ondergedoken gezeten bij een christelijk gezin in Friesland. Ze had het er goed. Toen haar vader haar na drie jaar kwam ophalen, heeft ze van Friesland tot Zwolle achterop de fiets gehuild, vertelde ze. Ze wist niet wie die vreemde man was. Later vertelde ze: ‘Ik vind het zo oneerlijk naar mijn vader dat ik toen zo heb moeten huilen.’”
Toen de vader van Rika haar na drie jaar kwam ophalen, heeft ze van Friesland tot Zwolle achterop de fiets gehuild
Nog een oud-leerling keerde terug. Hannie Leverpoll overleefde de onderduik met haar moeder en zusje. Haar vader was directeur van de kokosfabriek in Apeldoorn. “Tijdens de oorlog moesten alle Joden hun fiets inleveren. Hannies vader had net een nieuwe fiets, hij ruilde die fiets met een oude van de buurman, hij dacht dan heeft nog iemand er plezier van. Maar dat werd gezien, er werd aangifte gedaan bij de politie. Hannies vader werd gearresteerd en vermoord. Hannie was zes toen ze op de Joodse school zat. Ze woont nu Jeruzalem.”
Vergeten geschiedenis
Beetje bij beetje vond Frans de Heus uit dat van de 57 leerlingen er 19 de oorlog hadden overleefd. Daarvan leven er nu nog zes. “Soms was ik net te laat. Enkele jaren geleden achterhaalde ik een oud-leerling in Apeldoorn en hij bleek net te zijn overleden. Op een speciale manier had hij de oorlog overleefd. Zijn oom was antiekhandelaar geweest en hij regelde een schilderij van Rembrandt voor nazi-leider Hermann Göring. In ruil daarvoor kreeg hij een vrijgeleide naar Spanje. Zijn familie kon via Parijs naar Bilbao vluchten. Toen ze na de oorlog terugkwamen, waren ze bruin en goed doorvoed. Ze voelden zich heel schuldig. Dit vertelde een neefje van die leerling van de Joodse school.”
“Het is een stuk vergeten geschiedenis. Over het schoolleven op de Joodse school weten we niet zoveel, omdat de meeste kinderen jong waren en daarna gebeurde er zo veel in hun leven. Eén van de leerlingen herinnerde zich dat het onrustig was in de klas. Een ander zei dat het helemaal niet leuk was om ernaartoe te gaan. Ze misten allemaal hun oude klasgenoten.”
De Joodse school in Apeldoorn komt uit op 16 april, bij uitgeverij Nabij Producties in Nijkerk, € 23,50