Ruimte maken voor mensen met een arbeidsbeperking
Iedereen wil inclusief zijn, maar wie maakt er ruimte? Het mbo moet bijna 2000 banen creëren voor mensen met een arbeidsbeperking. In 2024 werd 37 procent van de doelstelling gehaald. Zelfs scholen die vooroplopen, komen vaak niet verder dan de helft. Niet omdat ze niet willen.
Tekst Judith Katz - Redactie Onderwijsblad - - 10 Minuten om te lezen
In en rond praktijklokalen van mboRijnland in Leiden gaat het werk de hele dag door. Schone spiegels, verfpotjes bijgevuld, haren opgeveegd en krulspelden terug in de lades. Even verderop pakken studenten bij de zorgopleiding katheters en ander lesmateriaal uit, terwijl in de techniekhal materialen straks al klaarliggen voordat de eerste student binnenkomt. Vaak zijn het docenten die zulke taken er tussendoor bij doen.
“Een docent is per les soms een kwartier tot 20 minuten kwijt aan voorbereidingstijd”, rekent Sandra Jongmans, projectleider banenafspraak bij mboRijnland, voor. Daar liggen kansen voor mensen uit de banenafspraak, vertelt ze bij een rondleiding door de school terwijl ze aanwijst waar ze al mensen heeft geplaatst. “Al moet je je natuurlijk ook afvragen welk werk gewoon bij de opleiding van studenten hoort. Onderwijskwaliteit staat altijd voorop.”
Op zulke en andere plekken proberen mbo-scholen ruimte te maken voor mensen met een arbeidsbeperking die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen. Meestal gaat het om ondersteunende functies, in de staf of dicht bij het onderwijs. Ook docenten kunnen onder de regeling vallen, maar in de praktijk is dat zeldzamer.
Achter die zoektocht zit ook een wettelijke opdracht. Net als andere overheidswerkgevers moet het mbo banen aanbieden aan mensen uit de doelgroep van de banenafspraak. Daarbij wordt gerekend met banen van 25,5 uur per week. Voor het mbo lag de doelstelling in 2024 op 1926 van zulke banen. Volgens de meest recente Kamerbrief over dit onderwerp (november 2025) werd daarvan 37 procent gehaald.
Een kanttekening is dat van 14 van de 51 mbo-scholen geen gegevens bekend zijn. Het werkelijke aantal banen kan dus hoger liggen. Tegelijk is niet uit te sluiten dat sommige scholen helemaal geen banen hebben gerealiseerd. De MBO Raad probeert die witte vlekken kleiner te maken. De scholen waarvan gegevens ontbreken, zijn benaderd en kunnen aansluiten bij een netwerk van projectleiders rond de banenafspraak, zegt een woordvoerder desgevraagd.
Een rondgang langs mbo-instellingen die vooroplopen, laat zien dat zij ongeveer de helft van hun doelstelling behalen. De groei lijkt er voorlopig uit. Maar dat betekent niet dat de banenafspraak niets oplevert.
Niet halen, is betalen
Het niet halen van de banenafspraak heeft inmiddels ook financiële gevolgen. In de Voorjaarsnota 2026 staat dat het ministerie van Onderwijs (OCW) 9,6 miljoen euro moet overmaken aan Sociale Zaken (SZW), omdat SZW meer kwijt is aan bijstandsuitkeringen nu banen voor mensen uit de doelgroep uitblijven. Hoe OCW die rekening gaat betalen, is nog niet bekend.
Een school is geen dagbesteding
Laura Bisschop weet wat de afspraak kan betekenen. Toen ze in 2018 bij ROC van Twente begon als adviseur participatiebanen, was ze zelf net afgestudeerd, na een omweg door gezondheidsproblemen. Het roc zocht iemand met hr-kennis die ook uit eigen ervaring wist hoe het is om met een arbeidsbeperking werk te zoeken. “Dan wordt de spoeling wel dun”, zegt ze lachend. Zij bleek precies te passen.
Sindsdien helpt Bisschop zelf kandidaten aan een plek binnen de school. Bij ROC van Twente werken inmiddels zo’n vijftig mensen uit de doelgroep. De meesten werken in facilitaire functies. In het onderwijs wordt het lastiger. (Tekst gaat verder onder de illustratie).
Beeld: Rosa Snijders
Dat herkent Jolanda van Rosmalen, adviseur mens & organisatie bij het Deltion College in Zwolle. Op haar werkplek laat ze op een A4 de opbouw van het personeelsbestand zien. Ongeveer 70 procent van het personeel bestaat uit docenten en instructeurs, vertelt ze. Nog eens zo’n 15 procent werkt op hbo- of wo-niveau. De ruimte zit dan ook vooral in de resterende 15 procent: functies op of onder mbo-niveau. “Juist daar moet je de meeste banen vinden of maken.” Echte banen, benadrukt Van Rosmalen. “Een school is geen dagbesteding.”
En dat is lastig. Scholen draaien immers om het verzorgen van onderwijs. Tegelijk verdwijnen juist de eenvoudige taken waarop mensen uit de banenafspraak relatief vaak kunnen instromen. Archieven zijn digitaal geworden, administratieve processen complexer en ondersteunende functies zwaarder. “Functies in een onderwijsorganisatie vragen al snel minimaal mbo-4 werk- en denkniveau”, zegt Bisschop.
Waar het wel lukt
Waar het wel lukt, levert de banenafspraak ook veel op. Deltion begon in 2015 met een aanpak die later zijn waarde bewees. Arbeidsdeskundigen van het UWV kwamen drie dagen langs om functies te analyseren, vertelt Van Rosmalen. Receptie, repro, beveiliging, huismeesters: taken en processen werden tot op detailniveau in kaart gebracht. Wat moest per se door een reguliere medewerker gebeuren? En welk werk kon anders worden georganiseerd? Leidinggevenden en collega’s zaten aan tafel. “Daardoor ontstond al draagvlak voordat er iemand geplaatst was”, zegt Van Rosmalen.
Dat leverde plekken op verspreid door de school. In het Skills Lab Verpleging en Verzorging zet een medewerker materialen klaar en houdt het magazijn bij. In de Mobiliteitshub beheert Deltion een eigen wagenpark van fietsen en elektrische voertuigen die studenten en medewerkers kunnen lenen. Die moeten worden onderhouden, fietsenstallingen worden nagelopen en fietsen moeten van en naar het station. Van Rosmalen: “Vier mensen vanuit de banenafspraak, ieder een halve fte, doen dat werk nu onder begeleiding van een meewerkend voorman.” Ze lacht. “Ze hebben ook al eens een fietsband voor mij geplakt. Dat kost gewoon geld hoor, maar heel fijn dat dat in de school kan.” (Tekst gaat verder onder de illustratie).
Beeld: Rosa Snijders
Om de facilitaire afdeling te ondersteunen, sloot de school een paar jaar geleden een contract af met een extern bedrijf. Denk aan het netjes houden van de pantry’s, het vervangen van volle vuilniszakken en het opruimen van sigarettenpeuken in de omgeving. Ook daar kwamen plekken voor mensen uit de doelgroep.
Soms ontstaat een plek juist van onderop. Eind vorig jaar meldde de opleiding meubel- & houttechniek zich met een vraag. Een jonge man kon geen leerwerkbedrijf vinden. Of hij tijdelijk mocht meedraaien in de werkplaats. Hij zette materialen klaar, ruimde op en deed kleine klussen. De afdeling wilde hem graag houden. “Dan wordt het gedragen vanuit de afdeling zelf”, zegt Van Rosmalen. “Die opleidingsmanager enthousiast, de docenten enthousiast. Dat is het mooiste wat er kan gebeuren.”
Niemand doet het erbij
Zulke plekken ontstaan niet vanzelf. Iemand moet met leidinggevenden praten, taken in kaart brengen, functies maken, kandidaten matchen, begeleiding regelen, problemen oplossen en de regelgeving bijhouden. Bisschop werkt bij ROC van Twente 24 uur per week aan de banenafspraak. Van Rosmalen besteedde er bij Deltion in de beginperiode tot 20 uur per week aan. “Als je het erbij doet als hr-adviseur, zal het toch een onderschoven kindje blijven”, zegt Bisschop.
Ook geld speelt mee. Sommige scholen betalen plaatsingen de eerste twee jaar centraal, boven op de bestaande formatie. Dat verlaagt de drempel voor teams. Zonder zo’n constructie wordt de afweging voor een teamleider anders. “Als een teamleider moet kiezen tussen een docent en een medewerker uit de banenafspraak, snap ik heel goed dat die kiest voor een docent”, zegt Jongmans van mboRijnland.
Bij Albeda in Rotterdam worden mensen bovenformatief geplaatst en is een interne jobcoach beschikbaar. Toch haalt ook Albeda het quotum niet. Senior adviseur hrm Zarina Jongkind vindt het daarom te beperkt om alleen naar aantallen te kijken. “Naar mijn idee gaat het veel meer om de kwaliteit én duurzaamheid van de inzet. Natuurlijk kun je allerlei diensten gaan aanbesteden zoals schoonmaak en catering, maar ga je je bedrijfsvoering aanpassen aan het quotum, of werk je er hard aan om de juiste mensen op de goede plek te krijgen?” Bij Albeda werken op verschillende afdelingen medewerkers uit de banenafspraak, zegt Jongkind. “Van docenten tot ondersteunende functies zoals verzuimmedewerkers.”
Ook Deltion heeft een eigen budget voor participatiebanen, bedoeld voor structurele plekken boven op de formatie. Maar die ruimte is niet onbeperkt. Door bezuinigingen en dalende studentenaantallen staat het budget onder druk, zegt Van Rosmalen. Tegelijk krimpt de formatie. Dan wordt doorgroeien moeilijk.
Een school is ook geen kantoor
Er zijn natuurlijk niet alleen maar succesverhalen. Zelfs als een plaatsing op papier klopt, kan die in een school anders uitpakken. Bij mboRijnland riep een ondersteunende medewerker in een praktijkopleiding vragen op bij ouders: wie was die onbekende persoon bij de opleiding? Voor Jongmans was het een les. “Je moet studenten, collega’s en soms ook ouders meenemen. We zijn een school.”
Scholen zijn bovendien onvoorspelbare werkplekken. Bij Deltion hield een medewerker in de techniekwerkplaats het lawaai niet vol. Een ander, geplaatst bij een sportfaciliteit, wist niet wat hij moest doen zodra instructeurs er niet waren. “Als er dan niemand is, gebeurt het werk gewoon niet”, zegt Van Rosmalen. Dat is geen onwil. Het maakt wel duidelijk wat een goede plaatsing vraagt: duidelijke structuur, directe aanwijzingen en een vast aanspreekpunt. Een school, waar de bezetting de hele dag wisselt, biedt dat niet vanzelf.
Juist daar zit de spanning voor leidinggevenden. Zij willen vaak best, maar moeten ook inschatten of een team de begeleiding kan dragen. Als een plaatsing mislukt, raakt dat niet alleen de kandidaat. Het kan ook het vertrouwen van een afdeling beschadigen om het opnieuw te proberen.
Beeld: Rosa Snijders
Buiten de cijfers
Daar komt nog iets bij: de cijfers vertellen niet het hele verhaal. Scholen laten graag goede voorbeelden zien, maar veel mensen met een arbeidsbeperking in het doelgroepregister willen juist niet zichtbaar anders zijn. Ze willen gewoon collega zijn.
Sommigen schrijven zich zelfs uit het register, vertelt Jongmans, omdat ze geen label meer willen. “We hebben collega’s die zeggen: ik werk hier al jaren, ik doe mijn werk gewoon, waarom sta ik eigenlijk nog in het doelgroepregister?” Het gevolg is dat juist mensen bij wie het goed gaat, kunnen ophouden mee te tellen. Soms groeien ze door naar een andere functie. Andersom zijn er medewerkers die wel extra ondersteuning nodig hebben, maar niet in het doelgroepregister staan. Ook zij blijven buiten de cijfers.
Moeten teams dan verplicht worden om banen te creëren? Jongmans denkt dat meer eigenaarschap nodig is. Elk team zou kunnen nadenken over welke sociale inzet mogelijk is. Bisschop is voorzichtiger. “Ik heb liever minder banen en mensen op de juiste plek die het naar hun zin hebben, dan dat je wel je quotum haalt, maar het verloop hoog is en mensen zich niet gewaardeerd voelen.”
Draagvlak van college van bestuur, directie en management is volgens haar bepalend. En dat is er nog niet op iedere mbo-school. “Als die bovenste laag het goed uitdraagt en er continu aandacht aan besteedt, dan gaat het ook op de werkvloer leven.” Van Rosmalen weet niet hoe het de komende jaren gaat, nu budgetten en formatie onder druk staan. Maar ze houdt vast aan de reden waarom Deltion hier ooit mee begon. “Wij zeggen dat iedereen hier welkom is. Alle studenten, maakt niet uit wie. Dan moet je dat ook uitdragen naar medewerkers toe.”
Bisschop weet wat er achter zo’n plek kan schuilgaan. Zonder de banenafspraak had zij waarschijnlijk zelf niet bij ROC van Twente gewerkt. Nu helpt ze anderen aan een plek binnen dezelfde organisatie.
Hoe doen de andere onderwijssectoren het?
Het mbo staat niet alleen in de worsteling met de banenafspraak. Uit een Kamerbrief van de minister van Binnenlandse Zaken (november 2025) blijkt dat geen enkele onderwijssector de afgesproken aantallen haalt.
In het primair onderwijs werd in 2024 23 procent van het doel gerealiseerd. Het voortgezet onderwijs kwam uit op 20 procent; inclusief banen via inkoop is dat 37 procent. Het hbo haalde 29 procent, of 36 procent als inkoop wordt meegeteld. Universiteiten kwamen uit op 38 procent, en 44 procent inclusief banen via social return. De universitaire medische centra bleven met 22,9 procent eveneens ver achter.
Daarmee doet het mbo, met 37 procent, het binnen het onderwijs relatief goed. Maar ook daar blijft de doelstelling ver buiten bereik. Volgens de Kamerbrief speelt in het onderwijs een structureel probleem: het grootste deel van het personeel werkt in het primaire proces, waar bevoegdheidseisen gelden. Banen voor mensen uit de banenafspraak worden daarom vaak gevonden in een relatief klein deel van de organisatie.
Volgens Wouter van der Haar, directeur-bestuurder van re-integratie- en jobcoachorganisatie Stichting Jobstap, wordt er in delen van het onderwijs nog te veel gedacht vanuit bestaande functies, in plaats van vanuit taken die anders kunnen worden georganiseerd. Volgens Van der Haar liggen er juist in ondersteunende taken rond het onderwijs nog kansen.