Minder lesuren, meer ontwikkeltijd?
Scholen hebben meer ruimte om hun onderwijstijd in te richten dan vaak wordt gedacht. In de pilot Onderwijstijd onderzoeken zij of er meer tijd overblijft voor ontwikkeling van docenten als er minder les wordt gegeven. Leidt dat tot beter onderwijs?
Tekst Judith Katz - Redactie Onderwijsblad - - 8 Minuten om te lezen
Beeld: Nino Maissouradze
Nederlandse middelbare scholieren krijgen relatief veel lesuren, terwijl meer lestijd niet automatisch leidt tot betere prestaties. Tegelijk is de werkdruk voor docenten hoog. In de pilot Onderwijstijd onderzoeken scholen daarom wat er gebeurt er als je minder lesgeeft en meer tijd vrijmaakt voor voorbereiding en ontwikkeling.
Wacht even: dat kan toch niet zomaar? Je móet toch gewoon als school een bepaald aantal uur onderwijs geven? Te weten: 3700 klokuren voor vmbo (over 4 jaar), 4700 klokuren voor havo (over 5 jaar) en 5700 klokuren voor vwo (over 6 jaar). Dat klopt. Maar die normen gaan over wat een school moet aanbieden, niet over wat elke leerling daadwerkelijk hoeft te volgen. Oftewel: de school moet een programma aanbieden dat aan de wettelijke urennormen voldoet. Tegelijk mag de school voor individuele leerlingen of groepen leerlingen, als dat in hun belang is, van die norm afwijken - ook naar beneden. De Onderwijsinspectie kijkt meestal pas naar onderwijstijd als de kwaliteit onder druk staat of als er signalen zijn dat scholen de ruimte niet verantwoord gebruiken, bevestigt woordvoerder Ilja Elshout. En, goed om te weten, zegt Elshout, ook de inspectie is bekend met de pilot. “Voor scholen die meedoen aan de pilot Onderwijstijd gelden dezelfde wettelijke normen als voor scholen die niet meedoen. De pilot wordt binnen wettelijke kaders uitgevoerd.”
Ruimte benutten
Scholen hebben dus meer ruimte dan vaak wordt gedacht om hun onderwijs zelf in te richten. De pilot wil scholen stimuleren die ruimte ook echt te benutten, en anders te kijken naar de balans tussen lesgeven, lesvoorbereiding en ontwikkeling van docenten. Volgens Kim van Strien, dagelijks bestuurder voortgezet onderwijs bij de AOb, is het goed dat die discussie wordt gevoerd. “In het onderwijs doen we veel dingen zoals we ze altijd deden”, zegt ze. “Als je kijkt naar het aantal lesuren in Nederland, kun je je best afvragen: moet dat allemaal? En is het effectief?” Uiteraard willen docenten het liefst gewoon les blijven geven, maar meer tijd voor professionele ontwikkeling en lesvoorbereiding kan goed uitpakken voor zowel de docent als de leerlingen.
Onderwijstijd moet geen rekensom zijn, maar een onderwijskundige keuze
Maar, zegt Van Strien er meteen bij: verandering werkt alleen als docenten erover mee kunnen praten en beslissen. “Je moet collega’s echt meenemen. Dit kun je niet op een bestuurskantoor bedenken en vervolgens uitrollen. Docenten moeten het doen. Zonder draagvlak kun je het wel vergeten.” En minstens zo belangrijk: wat gebeurt er met de tijd die vrijkomt? Het is niet de bedoeling dat werkdruk via de achterdeur weer terugkomt. Van Strien: “Stel je gaat lessen korter maken. Kortere lessen mogen niet betekenen dat docenten méér lessen gaan geven. Die tijd moet terug naar het personeel.” Volgens haar gaat het daar in de praktijk nog wel eens mis. “Dan wordt onderwijstijd een rekensom, terwijl het eigenlijk een onderwijskundige keuze zou moeten zijn.”
Korter les, meer maatwerk
Op Het Schoter, een scholengemeenschap in Haarlem, begon het gesprek over onderwijstijd juist in de klas, vertelt docent Nederlands en leerling-coördinator Yara van Zon. “Wij werkten met lessen van 60 minuten, maar hoorden steeds vaker: is dat eigenlijk wel effectief? Leerlingen houden hun concentratie niet zo lang vast.” Het idee achter die lessen was ooit logisch: meer ruimte voor activerende didactiek en om in de les aan opdrachten te werken. “Alleen gebeurde dat niet altijd”, zegt Van Zon. “Soms ontstond er aan het einde gewoon wat kletstijd.”
De school besloot het anders te proberen, na eerst een uitgebreide enquête onder het docententeam te hebben gehouden met allerlei keuzeopties. Het team bleek een voorkeur te hebben voor lessen van 50 minuten. Dat betekent dat er per lesuur nu 10 minuten vrijkomen voor ontwikkeling van docenten. In het tweede pilotjaar werd dat aangevuld met maatwerkuren, waardoor de vrijgekomen tijd werd verdeeld in 7 minuten ontwikkeltijd (voor docenten dus) en 3 minuten maatwerk (voor leerlingen). Leerlingen die meer tijd nodig hebben voor een bepaald vak kunnen zich daarvoor inschrijven, in samenspraak met hun mentor. In kleine groepen krijgen ze extra uitleg of begeleiding.
De pilot Onderwijstijd
Sinds schooljaar 2024-2025 experimenteren zo’n 70 middelbare scholen met een andere inrichting van de onderwijstijd. De pilot - een initiatief van het ministerie, de VO-raad en vakbonden - onderzoekt of minder lestijd en meer ontwikkeltijd voor docenten leiden tot beter onderwijs en minder werkdruk. Uit een tussenrapportage uit december 2025 komt een wisselend beeld: sommige scholen rapporteren minder werkdruk en meer werkplezier, andere juist het tegenovergestelde. Ook is een deel van de scholen afgehaakt om tal van redenen (bestuurswisselingen, te veel administratieve druk van de pilot, geen prioriteit) en doen relatief weinig scholen mee aan het onderzoek. Definitieve conclusies volgen na afloop van de pilot in 2026.
“Het grote verschil is dat je tijd en ruimte hebt voor die extra uitleg”, zegt Van Zon. “In een klas van 24 leerlingen lukt het niet altijd om iedereen echt goed feedback te geven. In een groepje van drie of vier wel.” Leerlingen en ouders zijn overwegend positief. Tegelijkertijd is het systeem nog volop in ontwikkeling. Het organiseren van maatwerk kost tijd en vraagt veel van docenten, die nu een ander soort les moeten geven. En bij vakken met weinig uren is de verkorting van de lessen meteen voelbaar. Van Zon: “Dan mis je gewoon tijd en dan zit zo’n maatwerkuur net zo vol als een normale klas. We zijn daarom aan het kijken welke vakken toch meer tijd nodig hebben. Dat wil ik ook wel echt meegeven: je moet blijven monitoren of het op deze schaal werkt, zeker als je met de hele school over gaat op kortere lessen.”
Wat de pilot vooral heeft opgeleverd, is ruimte om het onderwijs te verbeteren. Docenten hebben vaste ontwikkeltijd gekregen - de eerste twee uur op donderdagochtend - en gebruiken die ook. “Je hebt eindelijk tijd om samen lessen te maken en na te denken over didactiek”, zegt Van Zon. “Dat deden we vroeger veel minder. Nu bespreken we bijvoorbeeld hoe je een les effectief begint en afsluit. Dat is heel leerzaam.” Misschien wel het belangrijkste: het ziekteverzuim onder docenten is gedaald en docenten waarderen het werk meer, blijkt uit het jaarlijkse medewerkersonderzoek. (Tekst gaat verder na de illustratie).
Vertrouwen als uitgangspunt
Op het Haags Montessori Lyceum werd die ruimte op een andere manier benut. Daar draaide het niet zozeer om kortere lessen, maar om een andere manier van organiseren. “Wij wilden al langer onze manier van onderwijs eens onder de loep nemen”, zegt schoolleider Boris Hoppzak. “Alleen voerden we het gesprek daar niet echt over.” De pilot hielp om dat gesprek wél te voeren. “Doordat het ministerie en de VO-raad erbij betrokken waren, ontstond het gevoel: dit is iets waar we serieus naar moeten kijken. Dat gaf ruimte.”
De school werkte al met keuzelessen, maar die waren dan verplicht voor alle leerlingen. Daardoor zaten groepen vaak vol en was er weinig echte differentiatie. “We hadden soms dertig leerlingen in een begeleidingsuur. Dan schiet het doel voorbij.” Tijdens de coronaperiode zag de school iets dat het denken verder aanscherpte. “De verschillen tussen leerlingen werden groter”, zegt Hoppzak. “De sterkere leerlingen gingen beter presteren, maar de zwakkere groep groeide ook. Dat is het mattheuseffect: wie sterk is, wordt sterker, en wie achterloopt, raakt verder achterop.”
Dat inzicht werd een belangrijke drijfveer voor verandering, zegt Hoppzak. “We willen meer tijd en aandacht voor leerlingen die het nodig hebben, in kleinere groepen. En tegelijk ruimte laten voor leerlingen die het zelfstandig kunnen.” Daarom besloot de school om de begeleidingsuren - behalve in de eerste klas - deels facultatief te maken. Iedere leerling heeft een vaste coach, met wie hij wekelijks 10 minuten spreekt. “Dat is een flinke investering”, zegt Hoppzak. “Maar het zorgt ervoor dat je echt zicht hebt op wat een leerling nodig heeft.” Het uitgangspunt is vertrouwen. “We gaan ervan uit dat leerlingen goede keuzes maken. Niet: bewijs eerst maar dat je het kunt.” Als het niet goed gaat, wordt er bijgestuurd.
Ondergrens
Coaches kunnen leerlingen verplichten om begeleidingsuren te volgen. Dat was wel even wennen, zegt Hoppzak, want dan worden er andere gesprekken gevoerd. “Eind vorig schooljaar gaven docenten aan dat ze graag een ondergrens wilden, zodat het makkelijker aan leerlingen uit te leggen is dat ze toch naar een extra uur moeten. Dat hebben we bij de start van het schooljaar ingevoerd.”
Door de verandering is er tijd vrijgemaakt voor docenten: zo’n 50 uur per jaar voor ontwikkeling en voorbereiding. Die tijd wordt niet strak van bovenaf ingevuld. Een deel ligt bij de docent zelf, een deel wordt door onderwijsteams ingezet. “We willen voorkomen dat ontwikkeltijd weer een verplicht nummer wordt”, zegt Hoppzak. “Het moet echt bijdragen aan beter onderwijs.” En de resultaten? Die laten geen grote verschuivingen zien, maar dat was ook niet het doel. “Onze succescriteria waren: geen verslechtering van resultaten en minder ervaren werkdruk. Dat hebben we gehaald.” In sommige afdelingen zijn de resultaten zelfs licht gestegen, maar volgens hem is het moeilijk om daar harde conclusies aan te verbinden.
De grootste winst zit volgens hem ergens anders. “Ons onderwijs sluit nu beter aan bij wat we willen: meer gepersonaliseerd, met aandacht voor wat een leerling nodig heeft.”