Doorstroomtoets houdt onderwijs gevangen
Ondanks de felle kritiek op de doorstroomtoets is er geen zicht op snelle hervorming. De institutionele verwevenheid tussen toets-uitvoerder CvTE en toets-ontwikkelaar Cito belemmert snelle verandering.
Tekst Monique Marreveld - redactie Onderwijsblad - - 6 Minuten om te lezen
Illustratie: Typetank
Slecht scoren op de doorstroomtoets leidt voor een school niet meer automatisch tot een inspectieoordeel onvoldoende. Het belang van de jaarlijkse toets is daarmee afgenomen, maar ze blijft verplicht. Dat kan niet anders, zo stelde de Onderwijsinspectie in het maartnummer van het Onderwijsblad. ‘Alle tot nu toe verkende alternatieven brengen nadelen met zich mee die niet opwegen tegen de voordelen van de huidige werkwijze.’
Het is niet zo dat we in het afgelopen jaar onderzoek hebben gedaan naar alternatieven
In werkelijkheid blijkt de inspectie recent geen alternatieven te hebben onderzocht. Bij navraag zegt strategisch inspecteur Nienke Moolenaar: “Het is niet zo dat we in het afgelopen jaar onderzoek hebben gedaan naar alternatieven.” De inspectie kijkt wel regelmatig of het beter kan. “We namen in het verleden bijvoorbeeld de tussenresultaten mee, maar daarvoor gelden dezelfde bezwaren als voor andere toetsen. En we hebben gekeken naar leerwinst.”
Kleutertoets
Dat onderzoek naar leerwinst en toegevoegde waarde verscheen begin 2014, dus ver vóórdat de eindtoets landelijk verplicht werd. “We hebben ook een kleutertoets gehad”, voegt Moolenaar er onverstoorbaar aan toe. Maar de kleutertoets is nooit verplicht geweest en werd in 2018 officieel afgeschaft.
Voor ons toezicht is een objectief gegeven heel belangrijk
Kennelijk was de kritiek van de onderwijsbonden, de VO-raad en de PO-raad geen reden alternatieven voor de doorstroomtoets te onderzoeken? “Ik snap waar de vraag vandaan komt”, antwoordt Moolenaar, “maar voor ons toezicht is een objectief gegeven heel belangrijk, op basis waarvan wij kunnen zeggen: hier dreigen leerlingen misschien wel tekort te komen. Een signaal dus waarop wij kunnen handelen. De vraag wat een goede toets is, hoort niet bij ons.”
Dit risicomodel laat vooral zien waar het al slecht gaat
De inspectie is ervan overtuigd met de doorstroomtoets een van de belangrijkste instrumenten in handen te hebben om scholen die risico lopen, in beeld te krijgen. Wie te veel onvoldoendes scoort, wordt extra gevolgd. “Maar dit risicomodel van de onderwijsinspectie laat vooral zien waar het al slecht gaat”, zegt Melanie Ehren, onderzoeker toezicht aan de Vrije Universiteit en lid van een reviewcommissie die onlangs rol en werkwijze van de onderwijsinspectie onderzocht. “Het laat zien waar leerlingen tekortkomen, in plaats van dat het voorspelt waar het mis zal gaan.”
“Kwaliteit in de klas en in de school gaat vooraf aan leerlingresultaten”, legt Ehren uit. “Het risicomodel brengt vooral scholen in beeld waar de kwaliteit al onder de maat is en heeft maar een beperkte waarde als voorspeller van lage of dalende leerprestaties.”
Data genoeg
Heeft Ehren een alternatief? “Een model met meer voorspellende waarde zou vooral gegevens moeten bevatten over waar daadwerkelijk onvoldoende onderwijs wordt gegeven.” Te weinig lesuren of een lerarentekort staan daarmee mogelijk in verband. Schoolleiderschap dat onder de maat is en gegevens over zittenblijvers en afstromers horen misschien ook in zo’n model. “De inspectie heeft gelukkig wel veel data”, zegt Ehren.
Over de doorstroomtoets doet ze geen uitspraak. De raden, scholen en onderwijsbonden doen dat wel: de doorstroomtoets zou de kwaliteit van het onderwijs op een school onvoldoende aantonen en de verschillen tussen de toetsen onderling zijn te groot.
Hoe kun je onderwijskwaliteit het beste meten? Dat kan het beste met een objectief gegeven
Toch houdt Moolenaar vast aan de veronderstelde objectiviteit van de doorstroomtoetsen. “Dat er dingen beter kunnen is natuurlijk in elk systeem zo. Tegelijkertijd is de vraag: hoe kun je onderwijskwaliteit het beste meten? Dat kan het beste met een objectief gegeven.” Maar is een toets nog objectief als het voor de uitslag uitmaakt welke toets je gebruikt? Moolenaar corrigeert: “Het is voor ons een zo objectief mogelijk gegeven.”
De conclusie van de PO-raad en de bonden dat de toetsen te veel verschillen en desastreus zijn, laat ik bij hen
Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) is verantwoordelijk voor de doorstroomtoets en voor de vergelijkbaarheid van de toetsen. Wat vindt het college van de kritiek? “De conclusie van de PO-raad en de bonden dat de toetsen te veel verschillen en desastreus zijn, laat ik bij hen”, zegt afdelingshoofd José Bakx. “Wij gaan uit van de data die wij zelf hebben.”
Wie kiest voor een stelsel met verschillende toetsaanbieders, krijgt dit
Bottomline is volgens Bakx dat Nederland nu eenmaal gekozen heeft voor een stelsel met verschillende toetsaanbieders, “en dan is dit het resultaat”. Maar vergelijkbaarheid van de toetsen garanderen is toch haar opdracht? “Wij zorgen dat de prestaties van leerlingen op elke toets hetzelfde zijn. Maar verschillen zullen er blijven. Het is een gegeven dat die toetsen verschillen, in format, inhoud, afnamemodi.”
En de zogenoemde ankeropgaven dan, de opgaven die in alle toetsen voorkomen om de uitkomsten vergelijkbaar te maken? Die zijn onderzocht, zegt Bakx, en de vergelijkbaarheid is geborgd via de normering. “Die staat als een huis. Helaas kijkt de PO-raad daar anders naar.”
Verstand van toetsen
Zo’n gesprek met het CvTE is van beperkte waarde, want verstand van toetsen heeft deze instantie niet. Het CvTE voert de wet uit, maar wordt geadviseerd door Stichting Cito; daar zit de toetskennis. Cito adviseert over toelaten en erkennen van doorstroomtoetsen van concurrenten die al hun materialen en studies moeten inleveren, het CvTE beslist. Een klein team bij Stichting Cito werkt fulltime aan deze advisering waaronder onderzoekers van CitoLab, dat voor diverse opdrachtgevers werkt: ‘toetsuitgevers, volgsysteemontwikkelaars, examenmakers, overheden en ministeries en onderwijsinstellingen’. Volgens de leveringsvoorwaarden behoudt Cito zich het recht voor ‘de in het kader van de uitvoering van een opdracht vergaarde kennis en ervaring voor andere doeleinden te gebruiken’. Het zou niet gek zijn als concurrerende toetsmakers zenuwachtig worden van zo’n bepaling.
Het is voor de toetsaanbieders onduidelijk hoe de onafhankelijkheid gewaarborgd wordt
In een audit stellen toetsaanbieders dat zij een risico zien in de verschillende rollen van Stichting Cito: adviseurs in de beoordeling, aanbieder van twee doorstroomtoetsen, wetenschappelijk ondersteuner vanuit zijn psychometrische expertise en eigenaar van Cito bv. ‘Het is voor de toetsaanbieders onduidelijk hoe de onafhankelijkheid gewaarborgd wordt.’
Het CvTE kent wel een begeleidings- en een adviescommissie die ‘onafhankelijk’ zou zijn. Maar in beide zit Anton Béguin, voorheen Cito’s wetenschappelijk directeur. En, nog gekker: het CvTE heeft het eigen handelen inzake de doorstroomtoets laten onderzoeken, maar toetsmaker Cito is expliciet uitgezonderd van dit onderzoek.
Geen second opinion
Heeft het CvTE overwogen buiten Cito een second opinion te vragen, na alle gedoe rond de doorstroomtoets? Bakx verwijst naar de begeleidings- en adviescommissie en naar een auditonderzoek van het bedrijf ETS dat is uitgevoerd door Peter van Rijn. Van Rijn werkte eerst bij Cito, daarna bij ETS en meteen na de audit weer bij Cito. Er is geen spoor van een internationaal referentiekader voor het CvTE-werk of een verwijzing naar de manier waarop verantwoording in het buitenland wordt aangepakt. De doorstroomtoets zal nog wel even onder ons blijven.