Docent Engels blikt terug op zware tijd: ‘Ze hebben me nooit laten vallen’
Docent Astrid van Coeverden (67) voelde zich op school jarenlang als een vis in het water. Totdat haar moeder ziek werd. Haar klassen liepen leeg, zonder dat de het doorhad. Ze werd teruggezet naar de onderbouw, maar knokte zich terug.
Tekst Lisanne van Sadelhoff - redactie Onderwijsblad - - 10 Minuten om te lezen
Astrid van Coeverden: “In het onderwijs kun je niet halfbakken werk leveren. Daar hadden ze, hoe pijnlijk ook, me best mee mogen confronteren.” Beeld: Angeliek de Jonge
Alsof ze op een eiland was beland. Zo voelde Astrid zich toen ze in 1993 als docent Engels begon op haar nieuwe werkplek, het Utrechts Stedelijk Gymnasium (USG). Ze was 34 en een alleenstaande moeder van een dochtertje van 1. “Ik weet nog dat ik dacht: de leerlingen op deze school zijn niet representatief voor de wereld die ik ken. Allemaal blond met blauwe ogen. De rector had in zijn kamer grote, imponerende portretten hangen van zijn voorgangers. Ik vond het heel elitair.”
Thuis op een meer diverse school
En dan die sectiegenoot, “een deftige dame”, die Astrid hooghartig van top tot teen scande tijdens de eerste ontmoeting. “Ik was een totaal ander type: opgegroeid in Amsterdam met een moeder van de flowerpowergeneratie. Ik zat op een school met docenten met lange haren die Het Parool lazen en met een sigaret lesgaven. In de pauzes kon je vanuit de docentenkamer de Beatles en de Stones horen." Ook de school waar ze zelf als docent werkte vóór ze naar het USG ging, was progressief. “Veel diverser ook. Daar voelde ik me veel meer thuis.”
Toch zette ze door. De Utrechtse school groeide, de leerlingen waren lief en leergierig. “Het werd iets kleurrijker, er kwamen meer culturen het schoolgebouw binnen, er gingen veel stijve docenten met pensioen en er kwamen leuke, jonge collega’s voor in de plaats.”
Astrids moeder overleed
Na enige wen-tijd werd ze wat je noemt “een vis in het water”, gaf ze les in alle leerlagen en kende ze bijna alle leerlingen bij naam - er was een boel ‘hoi’ en ‘dag’ in de gang. Op een gegeven moment verhuisde de school van een knus monumentaal pand naar een groter gebouw. Dat was een paar weken nadat Astrids moeder, dat leuke flowerpowermens, haar rots in de branding, degene die ze elke dag belde, die alles van haar wist, die er altijd was, overleed. “Ik koppel die verhuizing aan mijn moeders dood, maar moet altijd nadenken over welk jaartal het ook alweer was.” Een korte stilte. Dan: “Ja, het was in 2011. Ergens is er iets in mij dat dat gegeven nog steeds niet wil accepteren. Net als dat ik heel goed weet waar ze precies begraven ligt, op Zorgvliet, de mooiste begraafplaats van Amsterdam, maar ik heb er jaren over gedaan om in één keer naar haar plekje te lopen. Alsof ik mezelf wijs wil maken: ze ligt hier niet, zie je, hier is ze niet, ze leeft nog.”
Het was alsof alle brute onweersgoden boven mij losgingen
In 2002 kreeg Astrids moeder, Meity, te horen dat ze een melanoom had. Kwaadaardig, hadden de artsen gezegd, en nee, genezen was niet meer mogelijk. “Toen ik dat hoorde, was het alsof alle brute onweersgoden boven mij losgingen. Vooral omdat mijn oma, eigenlijk mijn tweede moeder, ook is overleden aan de uitzaaiingen van een melanoom. Ik had angst om mijn moeder, maar ook om mezelf. Straks was ik de volgende.”
Leerlingen moesten mij helpen herinneren dat ík een deadline had gemist
Ze vertelde op werk dat haar moeder ziek was, dat ze hartzeer had: Astrid is “een open boek”. Ze kreeg daarop zorgverlof: een paar onderbouwklassen werden overgenomen. Maar naarmate haar moeder zieker werd, ging ze steeds meer op de automatische piloot werken. Dat kon ook, met haar ervaring. Die vis, daar, op school, in het water, die redde zich ook wel als ze zich iets minder ging inzetten. En nog minder. En nog minder. “Ja, en dát kán dus níét in het onderwijs”, zegt Astrid er nu over. “En al helemaal op het gymnasium. Leerlingen moesten mij helpen herinneren dat ík een deadline had gemist.”
Het vak waar ik zo van hield, interesseerde me steeds minder
Ze bereidde lessen amper voor, kwam afspraken niet na, las e-mails niet. Bij vergaderingen schrok ze vaak op als iemand haar naam noemde: “Astrid, kun jij dit nog even uitleggen?” Ehhh… “Het vak waar ik zo van hield, interesseerde me steeds minder. Want mijn moeder was ziek. Zij slokte al mijn liefde en aandacht op. En daar heb ik geen spijt van. Ik had dat stukje mantelzorg niet anders willen doen. Of minder intens. Maar ik ging op school steeds meer in mijn eigen bubbel zitten en dat had ik wel anders moeten doen.”
Leerlingen vroegen om een andere docent
Haar vijfdeklassen werden geleidelijk kleiner. “Leerlingen accepteerden mijn laksheid niet, dus vroegen ze aan de roostermaker of ze bij een andere docent Engels mochten omdat die lestijden hen zogenaamd beter uit kwamen. Als ik het nu vertel, voel ik schaamte. Dat ik het zo ver liet komen. Leerlingen die moeite doen om níét bij je in de les te komen. Ouders die bij school aankloppen: “Mag mijn kind een andere docent?” Een grotere belediging is er niet, voor docenten, toch?”
Niemand zei iets. Collega’s niet. Leerlingen niet. De schoolleiding niet
“Maar ik had het toen niet door. Ik kreeg nog steeds dezelfde ‘hoi’ en dezelfde glimlachjes in de gangen. En ik prees mezelf vooral gelukkig dat ik zulke kleine klasjes had. Geen idee ook dat ik collega’s met klassen met 35 leerlingen opzadelde, waarvan de school niet wist waar ze te huisvesten. Gênant gewoon. Maar niemand zei iets. Collega’s niet. Leerlingen niet. De schoolleiding niet.”
Dit gaat niet meer
Haar moeder overleed op kerstavond. Na de kerstvakantie ging Astrid zoals afgesproken weer volledig aan de slag. “Een paar dagen later wilde de afdelingsleider met me praten. Die had gewacht tot het overlijden van mijn moeder, wilde me niet eerder belasten, heel sympathiek, maar gaf toch toe: dit gaat niet meer.”
Na goed overleg besloten de schoolleiding en Astrid dat ze voorlopig alleen les zou geven aan de onderbouw. Die stap voelde als schaamtevol, maar had een goede uitwerking. Astrid ging naar een generatie leerlingen die nog nooit van haar naam hadden gehoord en dus ook geen vooroordeel hadden.
Ik wilde mijn moeder zo graag bellen, uithuilen: Mam, ik maak er een potje van!
In de onderbouw ervoer ze hoe onzeker ze was geworden. Ze maakte foutjes die ze eerder niet maakte - zei housework in plaats van homework, hoorde gegniffel, wilde op zo’n moment niets liever dan door de grond zakken. “Ik miste mijn moeder toen nóg meer. Wilde haar zo graag opbellen, uithuilen: ‘Mam, ik maak er een potje van!’
Rouw vertroebelt
Na een paar weken dacht ze: ik ga hiermee stoppen. Ik ben het kwijt. “Ik was zo verdrietig om mijn moeder, en ook zo ongelukkig op werk. Achteraf denk ik: ik had een burn-out. Maar toen zag ik het niet helder. Rouw vertroebelt.”
Maar in al die troebelheid ploeterde ze door. Vraag haar niet hoe. Waarom. Ze deed het gewoon. “Een sectiegenoot, van oorsprong Schots, zei, met zo’n prachtig accent, uit de grond van zijn hart: 'I’m so bloody sorry for you.' En een andere sectiegenoot, dat zal ik nooit vergeten, zei: 'You have to kill your reputation.’ Want je kan wél lesgeven. Dat sterkte me.”
Ze stortte zich opnieuw op lesvoorbereiding, studiewijzers, de automatische piloot ging uit, ze studeerde alle namen in rap tempo in. “Het gaf me veel vertrouwen dat de directie me binnen wilde houden. Ik kreeg een leuke, oprechte band met de onderbouwleerlingen, begon de glimlachjes in de gangen weer te vertrouwen. En ik werd zekerder. Als ik een fout maakte, zei ik: 'Ach, ik ben geen woordenboek'.”
Ik raakte mezelf kwijt binnen die schoolmuren, maar vond mezelf er ook weer terug
Inmiddels geeft ze al lang en breed weer in de bovenbouw les, zijn haar klassen weer vol. “Ik raakte mezelf kwijt binnen die schoolmuren, maar vond mezelf er ook weer terug.” Maar: het had niet zover hoeven komen. “Terugkijkend denk ik: de leiding had me meteen moeten vertellen wat er speelde. In het onderwijs kun je niet halfbakken werk leveren. Daar hadden ze, hoe pijnlijk ook, me best mee mogen confronteren. Dan had die ellende niet zo lang hoeven duren. Niet voor mij, en niet voor hen. Ik verwijt mijn school niets, ik ben er gelukkig, ze hebben me nooit laten vallen, maar wederzijdse openheid was beter geweest. En een wekelijks gesprek, zo van: hoe is het nu met je moeder, en met jou, wat heb je nodig, wil je minder uren maken? Ik had eigenlijk meer verlof moeten nemen. Rouw gaat door op de werkvloer. Daar moet je ruimte voor krijgen. En durven nemen. Ik verwijt mezelf dat ook wel, dat ik niet wat assertiever ben geweest.”
Langzaam afscheid nemen
Ze gaat dit jaar met pensioen. Even was er twijfel, afgelopen december werd ze 67: dan stoppen, of doorgaan tot de zomervakantie? “Mijn dochter zei: Je bent nog zo aan het genieten, mam, ik denk dat je het beter een paar maanden langer kan laten duren, dan dat je denkt: dit was te kort.”
Ze volgde haar advies op, en is blij toe. “Ik heb heel bewust elk moment in het jaar nog één keer meegemaakt, ik schrijf veel dingen op, zodat ik niets vergeet. Ik ben langzaam afscheid aan het nemen.”
Je kan weer terugkomen. Ook als je er een grandioos potje van hebt gemaakt
Elke docent die omvalt, bij wie het even niet meer lukt, wil Astrid vertellen: je kan weer terugkomen. Ook als je er een grandioos potje van hebt gemaakt. “Je bent ook maar gewoon mens, hè. Ik zit weer in de harten van de leerlingen. Ik geef dit jaar bijvoorbeeld les aan een vijfde die een afscheidsles gaan organiseren - ‘we gaan een feestje bouwen, mevrouw’. En toen ik om rooster-technische redenen niet met een vijfde klas mee kon naar de zesde, schreef de klas een brief naar de schoolleiding. Of dat niet tóch kon.” Ze lacht. Zegt dan: “Ik denk trouwens dat ik de afdelingsleider ga vragen of ik die brief mag hebben. Om in te lijsten.”
‘Kan ik een les van je overnemen?’
Het is belangrijk dat mensen het verlies van hun collega erkennen”, zegt Maurits Groot Kormelink, rouw- en verliestherapeut en auteur van het boek Rouw op het werk. “Doorgaan alsof er niets aan de hand is, werkt averechts.”
Die erkenning kan worden gegeven door hulp aan te bieden. Maar, zegt Groot Kormelink, dat moet wel concreet zijn. Dus niet: ‘Laat weten of ik iets kan doen’, maar: ‘Kan ik een les van je overnemen, zullen we koffiedrinken?’
Rouw is grillig, het is geen lineaire lijn omhoog: de ene dag gaat beter dan de andere. Daar moet een leidinggevende rekening mee houden: “Geef ruimte voor maatwerk in taken en tempo.” Een heel vol lesschema is dus niet helpend.
Wat ook fijn kan zijn, is één vaste contactpersoon binnen de school. “Dat kan rust en overzicht bieden.” En dan niet voor een paar weken, maar voor onbepaalde tijd. “De aandacht voor iemands verlies is vaak groot in het begin, maar juist na enkele weken valt de steun vaak weg. Maar ook dán gaat het rouwproces gewoon door.”
Groot Kormelink legt ook deels de verantwoordelijkheid bij de rouwende zélf neer. “Geef je grenzen aan.” En wees daarbij mild. “Lesgeven vraagt veel van een mens. Het is normaal dat je concentratie slechter is en je minder energie en zin hebt.”
Hij erkent: rouw en werk kunnen een ingewikkelde combi zijn, maar blijven werken kan ook goed zijn voor wie rouwt. “Het biedt structuur, en contact met de leerlingen en collega’s kan ook steun bieden.”