Beeld: Nanne Meulendijks

Etiket zwarte school is stigma

Witte scholen. Zwarte scholen. Nederland is het enige land in Europa dat deze termen hanteert. Hoe kwalijk is die benaming?

De eerste keer dat Hülya Kosar-Altinyelken hoorde over zwarte scholen moet 22 jaar geleden geweest zijn, toen ze uit Turkije naar hier kwam. Dit is een grap, dacht ze. De universitair docent onderwijs en pedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) deed een belronde langs collegawetenschappers in Denemarken, Spanje, Italië, Frankrijk, Noorwegen, Slovenië: “Gebruiken jullie die termen voor scholen waarop meer dan 50 procent van de leerlingen een migratieachtergrond heeft?” Nee, zeiden ze allen, stuk voor stuk, nee, nee, zeker niet. “Sommigen vinden de labels zelfs schandalig”, zegt Kosar-Altinyelken. “Het is ook bizar. Het zijn termen die een negatieve connotatie hebben: zwart is slecht, onzuiver, donker, duister. Wit is rein, schoon, zuiver, mooi.”

Daar komt bij, weet ze uit eigen ervaring en gesprekken met leerlingen: “Mensen met een Marokkaanse, Turkse of Iraanse achtergrond zouden zichzelf niet als zwart identificeren. Maar we gebruiken die term wel voor alle kinderen met een niet-Westerse achtergrond. Aziatische leerlingen, Syrische, kinderen uit Maleisië, Turkije, Marokko: we gooien alle kinderen op één hoop. Hoeveel leerlingen ik wel niet heb gesproken die zeggen dat ze de term ‘zwarte school’ niet fijn vinden. Alsof ze er niet bij horen. Het kan onder minderheidsgroepen leiden tot wrok, vervreemding.”

Dit artikel komt uit het Onderwijsblad van juni. Wil je op de hoogte blijven van alles wat er in het onderwijs speelt? Word lid van de AOb en ontvang elke maand het Onderwijsblad.

Check alle voordelen van het lidmaatschap

In de hoop verdere polarisatie in het Nederlandse onderwijs en samenleving tegen te gaan, schreef ze samen met collega’s in 2016 een open brief naar de Volkskrant. Kop en boodschap: Stop met de term ‘witte’ en ‘zwarte’ school. Zeventien UvA-wetenschappers ondertekenden het stuk.

Geobsedeerd

Anja Vink, onderwijsjournalist, stelt dat we sinds 2001, het jaar dat werd gekenmerkt door de aanslagen op de Twin Towers in New York, “volslagen geobsedeerd zijn geraakt” door etniciteit en geloof. “Omdat we ons daar zo op concentreren, op die huidskleur, op die afkomst van kinderen, zien we een heel groot deel niet.”

Ze deed onderzoek naar de twee kleurenlabels die we scholen toekennen en dat resulteerde twaalf jaar geleden in het boek Witte zwanen, zwarte zwanen: de mythe van de zwarte school. Haar conclusie: met de termen ‘witte school’ en ‘zwarte school’ verbergen we waar we het echt over hebben: “Het gaat om scholen voor de armen. Scholen met leerlingen uit gezinnen die het financieel zwaar hebben, met alle gevolgen van dien. Daar hebben we het in feite over, maar we noemen dat beestje niet bij de naam.’

Het gaat niet om de huidskleur van die leerlingen, stelt Vink. “Er zijn niet alleen scholen met kinderen uit arme, niet-Westerse gezinnen. Er zijn ook scholen met arme witte kinderen, uit witte, laagopgeleide gezinnen waar thuis veel problemen zijn en de taalachterstand net zo groot. En ik bezocht ook scholen met overwegend zwarte leerlingen, steengoede docenten, ijzersterk onderwijs en prima resultaten.”

Rassenscheiding

De term ‘zwarte school’ is waarschijnlijk overgewaaid uit de Verenigde Staten en Zuid-Afrika. Beide landen hadden rassenscheiding in het onderwijs en gebruikten ook de term ‘zwarte school’. Vink vond die begrippen ook terug in de Nederlandse krantenarchieven, in een artikel uit 1971 (“meer dan vijftig jaar geleden, hè!”), toen de Amsterdamse Bijlmer ontstond en daar de eerste huizen en scholen uit de grond waren gestampt.

De term ‘zwarte school’ is overgewaaid uit de VS en Zuid-Afrika

De scholen kregen er te maken met een flinke toename van kinderen uit Suriname, witte ouders haalden er in rap tempo hun kinderen van school af. Apartheid in de Bijlmer, kopte Het Parool. Het was volgens Vink een van de allereerste artikelen die over de Nederlandse onderwijssegregatie werd geschreven. Het woord ‘zwarte school’ stond er nog niet letterlijk in, maar werd vrij snel daarna in de pers, in politieke debatten en ook in de volksmond, gemeengoed.
“Het is een makkelijk het woord”, zegt Vink. “Het bekt lekker. Beleidsmedewerkers, onderwijsexperts, leraren, activisten hebben het honderd keer geprobeerd te veranderen, in kleurrijke school, regenboogschool, of concentratieschool. We komen er niet vanaf. Niet van die segregatie, en ook niet van de termen.”

Kosar-Altinyelken noemt het selffulfilling prophecy: zolang we een school ‘zwart’ blijven noemen, komt die nooit los van het stigma dat aan de term kleeft. “Als een school het label ‘zwart’ heeft, met alle negatieve connotaties erbij, dan kunnen docenten en leerlingen lagere verwachtingen hebben, en dat kan er weer toe leiden dat de resultaten uiteindelijk lager uitvallen.”
Met als gevolg daar weer van dat ouders ervoor kiezen hun kind niet naar een zwarte school te sturen. “Je kan ze daar niet de schuld van geven”, stelt Eddie Denessen, hoogleraar aan de Universiteit Leiden, gespecialiseerd in sociaal-culturele achtergronden in het onderwijs. “Ouders willen misschien best wel hun kind naar een zwarte school doen, maar durven het niet. Je experimenteert niet met je kind, dus je neemt het zekere voor het onzekere. Niemand wil een minderheid zijn.”

Of de benaming van een school daar iets aan kan veranderen, betwijfelt Denessen. “De termen zijn vreemd, en ook politiek incorrect, maar het is uiteindelijk een kwestie van reputatie die een school op een gegeven moment heeft. En ouders weten wat voor een scholen er in de wijk staan, wat voor leerlingen daarheen gaan, ongeacht hoe je de school noemt. Als een school eenmaal ergens om bekendstaat, of dat nou goed of slecht is, is het heel moeilijk andere leerlingen aan te trekken.”

Vrije schoolkeuze

“We moeten de echte verschijnselen bestrijden”, zegt Hans Luyten, onderwijskundige aan de Universiteit Twente. “En dan moet er meer gebeuren dan alleen de termen veranderen. Het werkte ook niet om achterstandswijken in de grote steden Vogelaarwijken of krachtwijken te noemen. Een reputatie veranderen gaat meestal heel moeizaam.”

‘We moeten de echte verschijnselen bestrijden’

Volgens hem is de segregatie binnen het onderwijs voor een groot deel te wijten aan de vrijeschoolkeuze. “Zolang ouders mogen kiezen, is de kans levensgroot dat ze vooral selecteren op de achtergronden van leerlingen. En dan krijg je heel snel dat bepaalde scholen gemeden worden door hogeropgeleide ouders. Je ziet het gewoon gebeuren, en we kunnen die ouders niet tegenhouden.”

‘Het zou ook naïef zijn’, zo stond er ook destijds in de open brief van de onderwijswetenschappers van de UvA, ‘te denken dat, wanneer we afzien van deze termen, problemen rond onderwijskwaliteit, segregatie en integratie verdwijnen’. Maar het is een begin, zegt Kosar-Altinyelken. “De termen markeren een symbolische apartheid in het onderwijsstelsel en leiden tot stigmatisering. Ze geven een impliciete boodschap af: zwart is minder.”

Interessant is in hoeverre de term ‘zwart’ iets zegt over de kwaliteit van onderwijs. “In de jaren zeventig en tachtig stond migratieachtergrond vaker gelijk aan sociaaleconomische achterstanden”, zegt Denessen. “Laagopgeleide ouders met lage inkomens, en dus ook kinderen met achterstanden. Maar je ziet dat latere generaties, vooral Turkse en Marokkaanse migranten, langzamerhand geëmancipeerd zijn, en dat daardoor achtergrond en achterstand minder direct met elkaar te maken hebben.” Er bestaat volgens Denessen wel een relatie tussen de twee, maar die wordt “steeds minder goed zichtbaar”. “Sociaaleconomische segregatie is veel belangrijker voor de kansen dan de afkomst van de leerlingen.”

Een naamsverandering kan goed zijn, maar is niet zaligmakend, stelt Vink. “Taalachterstanden, het lerarentekort, polarisatie: het is al vijftig jaar hetzelfde debat, en er is geen simpele oplossing. Omdat het zo is verknoopt met veel problemen in het onderwijs.” Het belangrijkste probleem van dit moment, volgens Vink? Het lerarentekort, zonder twijfel, want dat is ook nog eens het grootst op achterstandsscholen. “De financiering moet voor alle achterstandsscholen, zowel zwarte als witte, omhoog. Voor kleine klassen, lagere werkdruk. Je krikt een school op met goed onderwijspersoneel. Alleen zo kom je uit die vicieuze cirkel.”

‘Een naamsverandering kan goed zijn, maar is niet zaligmakend’

Zodat een school niet wit of zwart blijft, maar gemengd, grijs, zwartwit of hoe het ook genoemd kan worden. In ieder geval, zoals Hülya Kosar-Altinyelken het graag verwoordt: “Een realistische afspiegeling van het land waar alle leerlingen uiteindelijk hun weg moeten vinden.”

Dit artikel komt uit het Onderwijsblad van juni. Wil je op de hoogte blijven van alles wat er in het onderwijs speelt? Word lid van de AOb en ontvang elke maand het Onderwijsblad.

Meer nieuws