Hoogleraar Nasser Kalantar over zijn geboorteland Iran: 'Echte verandering moet vanuit de bevolking komen, die kun je niet van buitenaf forceren'
Hoogleraar kernfysica Nasser Kalantar, werkzaam aan de Rijksuniversiteit Groningen, verliet op 17-jarige leeftijd zijn geboorteland Iran om natuurkunde te studeren in de VS. Hij hoopte dat de VS het bij een intimidatiepoging zouden houden om Iran te laten onderhandelen over het nucleaire kernwapenprogramma. “Democratie komt er na zo’n militaire ingreep niet vanzelf. Echte verandering moet vanuit de bevolking komen, die kun je niet van buitenaf forceren.”
Tekst Yvonne van der Meent - Redactie Onderwijsblad - - 8 Minuten om te lezen
Hoogleraar kernfysica Nasser Kalantar ziet dat wetenschap een wapen is geworden in de strijd tussen grootmachten. Beeld: Corné Sparidaens
Het Onderwijsblad spreekt de Groningse hoogleraar eind januari. De massale protesten tegen het islamitische regime zijn dan met grof geweld neergeslagen en daarbij zijn duizenden doden gevallen. Tienduizenden activisten zijn gevangengenomen. De internetblokkade die op het hoogtepunt van het nationaal protest is opgeworpen, maakt contact met de buitenwereld nog steeds bijna onmogelijk.
Zijn familieleden zijn ongedeerd, weet Nasser Kalantar. “Ik heb met mijn broer kunnen bellen en heb gehoord dat niemand uit mijn persoonlijke omgeving is omgekomen.” Maar hoe het met zijn vrienden en zijn voormalige promovendi gaat, weet de Nederlands-Iraanse hoogleraar kernfysica niet.
De Amerikaanse president Trump heeft de Iraanse bevolking hulp beloofd en een ‘armada’ met een militaire missie naar de Perzische Golf gestuurd. Afgelopen zaterdag viel de VS samen met Israël Iran aan. Kalantar hoopte eind januari nog dat het bij intimidatiepoging bleef om Iran te dwingen te onderhandelen over hun nucleaire programma. “Hopelijk komt het niet tot een oorlog want daarmee vernietig je niet alleen mensenlevens, maar ook de infrastructuur van het land. En democratie komt er na zo’n militaire ingreep niet vanzelf, dat hebben we gezien in Libië en Irak. In de chaos die na zo’n militaire aanval ontstaat, nemen radicalen het over. Echte verandering moet vanuit de bevolking komen, die kun je niet van buitenaf forceren.”
Naakt ondervraagd
Nasser Kalantar-Nayestanaki (Teheran, 1960) woont en werkt al veertig jaar in Nederland, maar is opgeleid in de VS. Sinds 2004 is hij hoogleraar experimentele kernfysica bij de Rijksuniversiteit Groningen. Toen hij als 17-jarige Iran verliet om natuurkunde te studeren in de VS, zat sjah Mohammad Reza Pahlavi nog op de troon en waren Iraniërs van harte welkom. Dat veranderde na de Islamitische Revolutie in 1979 en zeker na de (lange) bezetting van de Amerikaanse ambassade in Teheran.
In maart 1980 -de bezetting was toen al maanden bezig- was Kalantar voor het Iraans nieuwjaar in Teheran. “Bij terugkeer in de VS ben ik op het vliegveld drie uur ondervraagd. Ik moest me helemaal uitkleden, mocht alleen mijn onderbroek aanhouden. Ze wilden weten waarom ik in Iran was geweest. ‘Familiebezoek’ voldeed niet als antwoord. Na drie uur werd ik wel toegelaten tot de VS, maar mijn studievisum werd ingenomen. Ik kreeg alleen een soort tijdelijk visum.”
Nadat het Amerikaanse Hooggerechtshof oordeelde dat onderscheid maken op basis van nationaliteit bij het toekennen van visa ongrondwettelijk is, kregen alle Iraniërs die zo’n tijdelijk visum hadden kregen, weer een normaal visum, vertelt Kalantar. Maar zijn geloof in de Amerikaanse waarden was aan het wankelen gebracht. “Dit gebeurde tijdens het presidentschap van Carter, de kampioen mensenrechten”, zegt hij nog steeds een beetje verontwaardigd. Toen hij zijn visum eenmaal terug had, kon hij niet meer naar huis. “In september van dat jaar brak de Iran-Irak-oorlog uit. Als ik terug zou gaan, zou ik meteen in militaire dienst moeten. Tot 1994 ben ik niet meer terug geweest.”
Zijn geloof in de Amerikaanse waarden was aan het wankelen gebracht
Suprioriteitsdenken is diepgeworteld in VS
Kalantar kon zijn studie in de VS voortzetten. In 1986 promoveerde hij in de kernfysica bij het gerenommeerde Massachusetts Institute of Technology. Met die doctorstitel op zak kon hij bij alle topuniversiteiten terecht. “Maar ik wilde niet in de VS blijven vanwege de discriminatie. Wat je nu ziet in de VS, heb ik in jaren tachtig al meegemaakt. Alleen was er toen nog geen ICE.”
“Trump is geen uitzondering, de helft van de Amerikanen denkt als Trump. Ze voelen zich superieur en dat was in de jaren tachtig al zo. Het zit diepgeworteld in het Amerikaanse denken. De ander wordt als bedreiging gezien, zeker als die als gelijkwaardige behandeld wil worden. Als ik een opmerking maakte over de ongelijkheid in de gezondheidszorg, kreeg ik te horen: waarom ga je niet naar de Sovjet-Unie, dan zul je ontdekken wat vrijheid is. De politiek, de gezondheidszorg, het sociale klimaat bevielen me niet. Daarom wilde ik naar Europa.”
De helft van de Amerikanen denkt als Trump. Ze voelen zich superieur en dat was in de jaren tachtig al zo. Het zit diepgeworteld in het Amerikaanse denken
Via aanstellingen bij Nikhef -het Amsterdamse onderzoeksinstituut voor elementaire deeltjesfysica dat tot de wereldtop behoort- en de Vrije Universiteit, kwam de kernfysicus in 1993 in Groningen terecht. “Ik had overal aan de slag gekund, behalve in Frankrijk dat toen al restrictief was bij het toelaten Iraanse wetenschappers. Eenmaal in Amsterdam, werden mijn vrouw en ik verliefd op het land, de stad, het sociale klimaat.”
Opstaan tegen onrecht
Maar in Nederland bleek ook niet alles rozengeur en maneschijn voor Iraanse wetenschappers. Begin deze eeuw ontstond het vermoeden dat Iran op geheime locaties werkt aan het verrijken van uranium voor kernwapens. In juli 2006 nam de VN Veiligheidsraad een resolutie aan waarin Iran werd gesommeerd het uraniumverrijkingsprogramma te stoppen en inspecteurs van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie toe te laten om te verifiëren of het nucleaire programma uitsluitend is gericht op het opwekken van kernenergie, zoals de regering beweerde. Toen Iran weigerde, volgden er VN-sancties.
De Nederlandse regering vertaalde de VN-oproep om waakzaamheid te betrachten bij het doorgeven van gevoelige kennis aan Iraniërs in een eigen sanctieregeling. Iraanse studenten mochten studies die te maken hebben met kern- en rakettechnologie niet meer volgen en Iraanse onderzoekers die in Nederland werkten kregen beperkingen opgelegd. Ze kregen bijvoorbeeld geen toegang meer tot de kerncentrale in Petten. Dat gold ook voor Kalantar die toen al jaren een Nederlands paspoort had.
Niet weer, dacht de hoogleraar. Toen protesten, opiniestukken en petities geen indruk maakten in Den Haag, besloot hij samen met twee andere Iraniërs de sanctieregeling bij de rechter aan te vechten. Omdat hij vindt dat je moet opstaan tegen onrecht en zeker tegen een overheid die discrimineert en stigmatiseert. Kalantar en zijn medestanders kregen tot aan de Hoge Raad gelijk. Het weren van alle Iraniërs om gevoelige kennis te beschermen is in strijd met het met artikel 1 van de grondwet: je mag mensen niet uitsluiten op basis van hun nationaliteit.
De Hoge Raad vernietigde de gewraakte sanctieregeling. “Officieel mogen Iraanse studenten en wetenschappers dus niet meer geweerd worden, maar sommige Nederlanders geloven dat Iraniërs gevaarlijk zijn en dat heeft consequenties. Mijn Iraanse gepromoveerden krijgen moeilijker een baan dan mijn andere gepromoveerden. Drie maanden geleden hoorde ik dat een selectiecommissie bij een andere universiteit een Iraanse sollicitant had voorgedragen. De afdeling kreeg kort daarna een telefoontje dat de universiteit niet tot benoeming zou overgaan. Iraniërs worden dus nog steeds gediscrimineerd. Alleen wordt dat niet zwart-op-wit gezet, je krijgt een telefoontje. Ik vind dat zo onrechtvaardig.”
Mijn Iraanse gepromoveerden krijgen moeilijker een baan dan mijn andere gepromoveerden
De aard van de wetenschap is samenwerken
“Natuurlijk moet je gevoelige kennis goed beschermen”, stelt de kernfysicus. “Maar kennisveiligheid is heel politiek. Het gaat steeds om het screenen van wetenschappers uit zogenaamde risicolanden als China, Rusland en Iran. Dat is niet alleen discriminerend maar ook ineffectief. Je moet iedereen screenen die toegang wil tot kennis en materialen die nodig zijn om wapens te maken. Ook Nederlanders. Denk aan zakenman Frans van Anraat die in de jaren tachtig grondstoffen voor mosterdgas en zenuwgas aan Saddam Hoessein leverde.”
De wetenschap zit in een nare positie, stelt Kalantar. “We hadden een cold war en nu hebben we een soft war met wetenschap als wapen. Het gaat om winnen van de oorlog, maar dat is tegen de aard van de wetenschap. Wij willen bruggen bouwen, mensen begrijpen om vooruitgang te boeken. Maar we leven nu in een wereld waarin we ASML-technieken voor ons zelf willen houden. Economisch snap ik dat wel, maar het zorgt niet voor wetenschappelijke vooruitgang. Daar is juist internationale samenwerking voor nodig.”
Je moet íédereen screenen die toegang wil tot kennis en materialen die nodig zijn om wapens te maken. Ook Nederlanders
Terug naar de situatie in Iran. “Van Trump hebben we weinig goeds te verwachten, maar dat weten Europeanen ook sinds hij heeft gezegd dat hij Groenland wil hebben.” Kalantar heeft zijn hoop gevestigd op de Iraanse burgerbeweging. “Die heeft al veel bereikt. Geen wettelijke veranderingen, maar sinds de vorige opstand na de dood van Mahsa Amani, dragen Iraanse vrouwen wat ze willen. Als ze geen hoofddoek willen dragen, doen ze dat niet. De jongste opstand is nu neergeslagen, maar we hebben in het verleden gezien dat gevangen activisten vanuit detentiecentra in staat zijn om hun stem te laten horen.”
Wat kunnen wij vanuit Nederland doen voor Iran? “Samenwerking zoeken, kennis delen. We moeten beurzen beschikbaar stellen voor Iraanse gastdocenten. Fondsen opzetten die samenwerking bevorderen in plaats van mensen uitsluiten. Ik beschouw PhD-studenten die na hun promotie teruggaan naar Iran als ambassadeurs van onze waarden. Wij moeten onze hand durven uitsteken, dat heeft in het verleden ook gewerkt.”
AOb steunt vakbonden in Iran
Nasser Kalantar is actief AOb-lid. Hij neemt sinds 2010 als werknemersvertegenwoordiger deel aan het lokaal overleg van de Rijksuniversiteit Groningen dat bijvoorbeeld in de gaten houdt of het aantal tijdelijke aanstellingen wordt teruggebracht zoals in de cao is afgesproken. In Iran worden vakbondsrechten met voeten getreden. Vakbondswerk wordt er gecriminaliseerd. Verdedigers van arbeidsrechten worden geconfronteerd met willekeurige detentie, gerechtelijke intimidatie en zware straffen. De AOb veroordeelt deze systematische schendingen van mensen- en vakbondsrechten en roept in een online steunbetuiging de Iraanse autoriteiten op om alle vastgehouden leraren en vakbondsactivisten onmiddellijk vrij te laten. Samen met nationale en internationale partners blijft AOb zich inzetten voor de bescherming van mensenrechten en vakbondsrechten. Nasser Kalantar is actief AOb-lid. Hij neemt sinds 2010 als werknemersvertegenwoordiger deel aan het lokaal overleg van de Rijksuniversiteit Groningen dat bijvoorbeeld in de gaten houdt of het aantal tijdelijke aanstellingen wordt teruggebracht zoals in de cao is afgesproken.