Wat levert onderzoek in het mbo op?
Practoraten beloven beter mbo-onderwijs. Lossen ze dat ook in? “We moeten oppassen dat we geen lectoraatje gaan spelen”, zegt een practor. “Onderzoek is voor ons een manier om problemen op te lossen”, aldus een collega.
Tekst Judith Katz - Redactie Onderwijsblad - - 7 Minuten om te lezen
Beeld: Duncan de Fey
In tien jaar tijd zijn practoraten uitgegroeid tot een vast onderdeel van het mbo. Verspreid over het land werken inmiddels meer dan 150 practoren met docent-onderzoekers aan praktijkgericht onderzoek. De belofte is groot: onderzoek dat direct leidt tot beter onderwijs en tot studenten die kritischer en professioneler worden opgeleid. Maar maakt al dat onderzoek het mbo daadwerkelijk beter?
Schoolhonden
Op mbo-school Aeres in Barneveld lopen achttien schoolhonden rond. Ze worden ingezet tijdens praktijklessen. Studenten leren luisteren naar een hartslag, een hond te trimmen of klinisch onderzoek te doen. Maar hoe ervaren die honden eigenlijk al die aandacht, aanrakingen en meetmomenten? Die vraag hield docent-onderzoekers van het practoraat Dierenwelzijn en -gezondheid bezig. Dit studiejaar krijgen vier honden daarom een speciaal jasje met een hartslagmeter, vergelijkbaar met een sporthorloge.
“Het mes snijdt aan twee kanten”, zegt practor Sara Albone, die het practoraat leidt én de hondenjasjes van Medpets vermaakte zodat er plek was voor de hartslagmeter. “Studenten leren meten en analyseren, maar vooral ook reflecteren op wat ze zelf doen. Dat is precies de onderzoekende houding die we willen ontwikkelen: vragen stellen, kijken wat er gebeurt en daarvan leren. We leiden geen onderzoekers op. Onderzoek is voor ons een manier om problemen op te lossen.”
Studenten bevragen de beroepspraktijk
Albone werkt wekelijks een halve dag samen met negen docent-onderzoekers uit vijf verschillende onderwijsteams. Zelf is ze opgeleid als dierenarts en werkte ze tien jaar in de praktijk voordat ze de overstap maakte naar het onderwijs en een master leren en innoveren volgde. “Ik merkte hoe krachtig het kan zijn om nieuwsgierigheid te gebruiken als motor voor onderwijsvernieuwing.” Albone is momenteel ook bezig met een professional doctorate. Zo doet ze onderzoek naar de beroepsgroep van practor.
Binnen hetzelfde practoraat deed een collega praktijkonderzoek samen met studenten over diervriendelijker vangtechnieken voor kippen. Vaak worden kippen ondersteboven vastgepakt, maar er zijn alternatieven zoals rechtop vangen. “Dit soort onderzoek laat studenten zien dat hun keuzes ertoe doen”, zegt Albone. “Niet alleen op school, maar straks ook in hun beroep.”
Sara Albone leidt het practoraat Dierenwelzijn en -gezondheid. “Studenten leren meten en analyseren, maar vooral ook reflecteren op wat ze zelf doen.”
Beeld: Duncan de Fey
Het zijn voorbeelden van wat practoraten beogen te zijn: plekken binnen het mbo waar praktijkgericht onderzoek direct leidt tot beter onderwijs en tot studenten die leren hun beroepspraktijk kritisch te bevragen. Sinds de oprichting van het eerste practoraat Sociale Media (nu Mediawijsheid & Burgerschap) bij het Mediacollege Amsterdam is het aantal practoraten snel gegroeid. Inmiddels heeft vrijwel elke mbo-instelling één of meerdere practoraten en ligt het totaal boven de 150.
Maar met die groei rijst ook de vraag: wat leveren practoraten daadwerkelijk op?
Geen lectoraatje spelen
Volgens practor en docent Automotive Giel Kessels van het Summa in Helmond en Eindhoven is die belofte niet vanzelfsprekend. “We moeten oppassen dat we geen lectoraatje gaan spelen”, zegt hij. “Het mbo is gewoon heel anders dan het hbo of de universiteit. Onze kracht zit niet in theorieontwikkeling, maar in actiegericht onderzoek dat direct leidt tot beter onderwijs.” Kessels ziet dat practoraten soms worden ingericht naar academisch voorbeeld, met veel aandacht voor onderzoeksopzet, methodiek en rapportage. “Er wordt veel gepraat over hoe je onderzoek doet, maar minder over de vraag: wordt het mbo-onderwijs hier beter van? Die stap wordt niet altijd expliciet gemaakt.”
De opbrengst moet terugkomen in het onderwijs
Volgens hem ligt de meerwaarde van practoraten juist in het vertalen van bestaande kennis naar de onderwijspraktijk. “Er is al enorm veel onderzoek gedaan, bijvoorbeeld over de energietransitie. De vraag is niet óf die eraan komt, maar wat dat betekent voor de monteur in de werkplaats. Welke vaardigheden heeft een student straks nodig? Daar kan een practoraat het verschil maken.” Zijn eigen practoraat richt zich op effectieve didactiek en contextrijke leeromgevingen. Vanuit zijn kantoor kijkt hij uit op de showroom van de opleiding Autotechniek. “Dat was eerst een open ruimte. We hebben ontdekt dat elke ruimte het beroep herkenbaar moet maken voor studenten. Met echte leermiddelen dus, folders, auto’s. Dat doet iets met motivatie.”
Studenten motiveren
Dat inzicht kwam niet vanzelf. Tien jaar geleden zat de opleiding autotechniek op de derde etage van een schoolgebouw, zonder zichtbare beroepscontext. “Het had net zo goed een ziekenhuis kunnen zijn”, zegt Kessels. “Onze studenten leken minder gemotiveerd, en een auto op de derde etage zetten kon natuurlijk niet.” De ervaringen leidden tot een verhuizing en de oprichting van onder andere de Truck Academy, waar studenten werken aan echte auto’s en vrachtwagens. “Het klinkt simpel, maar het maakt een wereld van verschil. Als je wilt leren zwemmen, heb je een zwembad nodig. En als je monteur wilt worden, heb je een werkplaats nodig.”
Kessels benadrukt dat zijn practoraat weinig nieuwe theorie heeft toegevoegd. “De kracht zit niet in iets nieuws bedenken, maar in de vraag: wat betekent bestaande kennis voor onze praktijk? We hebben studenten bevraagd over motivatie en leerervaringen. Zo kun je onderbouwen wat werkt en wat niet.”
Practor en docent Automotive Giel Kessels van het Summa in Helmond: “Als je wilt leren zwemmen, heb je een zwembad nodig. En als je monteur wilt worden, heb je een werkplaats nodig.”
Beeld: Duncan de Fey
Wendbaar praktijkonderwijs
Practoraten worden vaak vergeleken met lectoraten in het hbo. Dat is geen toeval. Bij de start, rond 2012, werd bewust naar dat model gekeken, zegt Jorick Scheerens, die aan de wieg stond van het concept. “We wilden gebruikmaken van de ervaring die daar al was, maar wel met een andere opdracht”, zegt hij. “Het doel van een practoraat is niet om onderzoek te doen om het onderzoek, maar om kennis op te halen en te benutten voor wendbaar beroepsonderwijs.” Practoraten zijn volgens Scheerens nadrukkelijk bedoeld als middel, niet als doel. “Als de opbrengst niet terugkomt in het onderwijs, mist een practoraat zijn kern.”
Waar Kessels vooral wijst op het risico van ‘academisering’, laat Albone zien waarom de vertaalslag naar beter onderwijs in de praktijk zo ingewikkeld is. “Onderzoek vraagt traag denken”, zegt ze. “Dat kun je niet tussendoor doen, tussen lessen en mails door.” Docent-onderzoekers in haar practoraat hebben een halve dag per week voor onderzoek. De rest van de tijd geven ze les en draaien ze mee in de dagelijkse praktijk van hun team. “De waan van de dag wint het bijna altijd. Lesuitval, roosters, ziekte: onderzoek staat dan niet bovenaan.”
Daar komt bij dat curriculumverandering in het mbo complex is. Opleidingen werken met landelijke kwalificatiedossiers, die weinig ruimte laten voor structurele aanpassingen. “Veel mbo-docenten zijn vakinhoudelijk sterk, maar voelen zich niet altijd evenveel thuis in de didactiek of het begeleiden van onderzoek”, zegt Albone. “Lesgeven over inhoud vinden ze fijn. Reflecteren op het curriculum of op hun didactische keuzes is lastiger.” Volgens haar dreigen practoraten daardoor een aparte eenheid te worden, naast het onderwijs in plaats van erin. “Als je wilt dat practoraten slagen, moeten ze bijdragen aan kerndoelen, visie en curriculum. Anders blijft het iets extra’s.”
Practoraten moeten geen aparte eenheid worden
Tegelijk ziet ze juist daar de potentie. “We willen studenten opleiden die zelf problemen kunnen oplossen. Dat vraagt onderzoekend leren: vragen stellen, informatie verzamelen, analyseren. Dat zijn vaardigheden die je niet leert in een uurtje extra, maar die structureel onderdeel moeten zijn van het onderwijs.” Het hondenonderzoek laat zien hoe dat eruit kan zien. “Studenten zien dat hun handelingen effect hebben op de honden. Dat zet aan tot nadenken. Waarom doe ik dit zo? Kan het anders? Die reflex wil je ontwikkelen. Niet alleen bij honden, maar in elk beroep.”
Het gaat om leren, niet om scoren
Volgens Kessels begint het bij een heldere kernvraag. “Hoe wordt ons mbo-onderwijs hier beter van? Dat moet steeds het uitgangspunt zijn.” Onderzoek kan daarbij ook uitwijzen dat iets niet werkt. “Dat hoort erbij. Het gaat om leren, niet om scoren.” Albone pleit voor meer ruimte, letterlijk in het rooster en figuurlijk in de cultuur. “Ik zou willen dat elke mbo-student tijdens de opleiding meedoet aan een praktijkonderzoek, het liefst een onderzoek dat ze zelf bedenken. Dat vergroot autonomie en motivatie.”