Verantwoording subsidie basisvaardigheden stelt weinig voor
De subsidieregeling voor verbetering van basisvaardigheden in het onderwijs kost miljarden. Effect op leerprestaties is niet aantoonbaar. De eis dat scholen hun activiteiten hiervoor wetenschappelijk moeten onderbouwen klinkt concreet, maar is het niet.
Tekst Michiel van Nieuwstadt - Redactie Onderwijsblad - - 10 Minuten om te lezen
De interventiekaart basisvaardigheden is een wetenschappelijke graaicontainer waar iedereen wel iets van zijn gading zal vinden. Beeld Wim Stevenhagen.
Het Masterplan basisvaardigheden werkt nog niet, maar Judith Tielen houdt de moed erin. ‘Door deze inzet is het fundament om te werken aan betere basisvaardigheden op scholen voor leerlingen versterkt’, schreef de staatssecretaris van onderwijs de Tweede Kamer afgelopen zomer. In de brief schetst Tielen de contouren van een turboversie van het masterplan die dit najaar zal verschijnen: de ‘Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden’.
In een evaluatie van december 2025 concludeerde het Centraal Planbureau (CPB) helaas ook dat het plan sinds de lancering in 2022 geen meetbaar effect had op leerresultaten. In het basisonderwijs gingen de scores op de doorstroomtoets noch de resultaten in het leerlingvolgsysteem significant vooruit. Op slagingspercentages in het voortgezet onderwijs en cijfers voor het centraal eindexamen Nederlands en wiskunde vond het CPB evenmin een significant effect. Het masterplan heeft voorlopig ook geen uitwerking op zittenblijven in het basisonderwijs of doorstroomsnelheid in het voortgezet onderwijs.
Miljardenproject
Aan beschikbare middelen lag het niet. Volgens de website Ocwincijfers.nl is aan de subsidie voor scholen die meewerken aan het masterplan in po en vo in 2025 605 miljoen besteed. Gezien de jarenlange looptijd is inmiddels sprake van een miljardenproject.
Ik vind dat plezier en betekenisvol leren voorop moeten staan
Verantwoorden wat er met die miljarden gebeurt, is des te belangrijker, omdat het kabinet voor de basisvaardigheden een nieuwe manier van bekostiging wil gaan gebruiken, een vorm die het midden houdt tussen lumpsum en subsidies. Scholen hoeven dat geld niet steeds aan te vragen, maar moeten de besteding ervan wel verantwoorden. Vanaf 2027 besteedt het kabinet in po en vo per leerling 206 euro aan de verbetering van basisvaardigheden. Met een geschat leerlingenaantal van 2,4 miljoen in het volgend schooljaar komt dat neer op een klein half miljard.
Helaas heeft het ministerie geen bruikbaar zicht op wat er met het subsidiegeld gebeurt. Daarover is wel gerapporteerd, natuurlijk. Zo publiceerde SEO Economisch Onderzoek op 4 december 2025 een studie naar de resultaten vanaf 2022.
Ogenschijnlijk stelde toenmalig onderwijsminister Dennis Wiersma in 2022 harde eisen aan de besteding van het geld. Met subsidiegeld betaalde ‘interventies’ moeten evidence-informed zijn en gericht op het duurzaam verbeteren van basisvaardigheden. In po en vo heeft 88 procent van de scholen de ‘interventiekaart basisvaardigheden’ gebruikt, zo meldden de SEO-onderzoekers.
Dat klinkt concreet, maar is het niet. Met zijn 86 links, met soms meerdere verwijzingen, is de interventiekaart basisvaardigheden een wetenschappelijke graaicontainer waar iedereen wel iets van zijn gading zal vinden (zie kader ‘Kaart of kluwen’).
Taal integreren in andere vakken, daar ben ik het helemaal mee eens
De interventiekaart voor het masterplan is grotendeels gebaseerd op Onderwijskennis.nl. “Op die website schrijven wetenschappers voor een grijpstuiver een samenvatting van hun expertise op een bepaald gebied”, zegt onderwijsonderzoeker Geert Driessen. Hij deed in coronatijd onderzoek naar een vergelijkbaar recept met wetenschappelijk onderbouwde onderwijsmethoden - de ‘menukaart’ van het Nationaal Programma Onderwijs dat de corona-achterstanden weg moest werken - en is op basis van die ervaringen sceptisch over de interventiekaart. “Wat als evidence-based interventies werd opgevoerd, en waaraan scholen 5,6 miljard euro moesten besteden, bleek gebaseerd op een allegaartje van studies, die vaak methodologisch zwak bleken te zijn en over van alles bleken te gaan.”
Activiteitenplan
Om voor subsidie in aanmerking te komen moesten scholen een plan opstellen met de basisvaardigheden die ze willen aanpakken en de ‘activiteiten of interventies’ die ze daarvoor willen inzetten. Naast rekenen en taal behoren sinds mei 2022 ook burgerschapsvorming en digitale geletterdheid tot de basisvaardigheden. Het SEO-implementatieonderzoek laat zien dat de meeste scholen ervoor kiezen het geld te besteden aan taal (94 procent) en rekenen-wiskunde (87 procent).
Een kwart van het subsidiegeld kwam terecht bij externe partijen, meestal bedrijven, en een kwart van de scholen hield subsidiegeld over. Driekwart van de scholen gebruikte het geld voor extra personeel, lesmateriaal en scholing. Dat klinkt als een concrete verantwoording, maar wat heeft dat personeel gedaan? Was het bevoegd of onbevoegd? Welke lesmaterialen zijn er gekocht? Welke opleidingen zijn er gevolgd en welke bedrijven zijn er ingeschakeld?
Op het effect van hun maatregelen hebben de scholen zelf een andere kijk dan het CPB. ‘Scholen merken vooral vooruitgang bij leerlingen op taal en rekenen, grotendeels toegeschreven aan de subsidieregeling’, aldus het rapport. Van een kleine 1500 geënquêteerden ziet een grote meerderheid sinds de start van het programma een merkbare of zelfs aanzienlijke vooruitgang in taal voor het po (77 procent) en het vo (79 procent). Van de geënquêteerden in beide sectoren is gemiddeld zo’n twee derde er ‘sterk’ of zelfs ‘ten volle’ van overtuigd dat die aan het programma te danken zijn.
De vooruitgang is grotendeels subjectief, want vastgesteld in gesprekken met docenten, ouders en leerlingen, maar deze komt ook objectief naar voren uit proefwerken, toetsen en verrassend genoeg ook leerlingvolgsystemen van scholen, waar het CPB nu juist geen significant effect ziet.
De samenhang ontbreekt
Ook Harold Bekkering, hoogleraar cognitieve psychologie aan de Radboud Universiteit, bekijkt desgevraagd de interventiekaart. “Een warboel”, is zijn oordeel. Niet omdat daarin onzinnige suggesties staan, wel omdat de samenhang ontbreekt. Als voorbeeld noemt hij fonemisch bewustzijn, één van de 86 kopjes in het overzicht. “Dat fonemisch bewustzijn is heel erg belangrijk. Om tekst te begrijpen moet je woorden opdelen in klanken, maar wat moet een leerkracht of school met dat losse inzicht. De vraag is niet wat werkt, maar waarom het werkt en wat je wilt bereiken. Ik denk dat het belangrijk is dat leerlingen betekenisvol omgaan met taal. Dat kan alleen als je ze duidelijk maakt met welk doel ze met taal bezig zijn. Op praktijkschool ‘t Genseler in Hengelo leggen we leerlingen uit dat ze taal nodig hebben voor hun latere werkzame leven.”
De interventiekaart biedt voor elk wat wils, maar dat is nu juist het probleem. In de onderwijsvisie van Bekkering staan plezier en motivatie voorop. Motivatie wordt ook genoemd op de interventiekart, maar wat zegt dat nu eigenlijk? “Scholen moeten blijkbaar maar kiezen welk van de kopjes ze willen gebruiken”, zegt Bekkering. “Dat is toch heel gek? Een lijst maken met allemaal dingen die volgens de wetenschap werken is in mijn ogen een heel slecht uitgangspunt.”
Keuzes maken uit zo’n lijst is het heikele punt. Gemotiveerde leerlingen halen betere cijfers, zo blijkt uit onderzoek, maar wetenschappelijke studies hebben ook aangetoond dat goede resultaten worden geboekt met een curriculum dat niet motivatie, maar bijvoorbeeld kennis als doel vooropstelt. En van zo’n kenniscurriculum is Bekkering nu juist weer geen voorstander. “Ik denk dat in het onderwijs andere doelen voorop moeten staan: leren met plezier en werken vanuit nieuwsgierigheid.”
Alles staat of valt met het stellen van de juiste doelen
Wetenschappelijke inzichten kunnen niet de onenigheid over doelen beslechten. Dat verklaart ook de zorg over wetenschappelijk onderbouwd werken die de Onderwijsraad voor de zomer ventileerde in het rapport Leren van onderzoek. De stem van Gert Biesta klinkt door in de waarschuwing dat onderwijsdoelen als socialisatie en persoonsvorming in het gedrang komen bij een exclusieve focus op kwalificatie. Het gevaar dat deze onderwijsdoelen ondersneeuwen, is des te groter, omdat ze misschien lastiger meetbaar zijn dan bijvoorbeeld prestaties op taal- of rekentoetsen.
Al met al is Bekkering sceptisch over de ‘stevige handvatten’ die evidence-informed werken het onderwijs moet gaan bieden volgens de plannen van Tielen. “De politiek wil er maar niet aan dat evidence-informed werken heel erg moeilijk is.”
In de keuze om taal voorop te stellen en te ‘verweven in alles’, zoals de staatssecretaris het formuleert, kan hij zich daarentegen wel vinden. “Taal integreren in andere vakken, daar ben ik het helemaal mee eens. En ik snap ook dat je voor de basisvaardigheid taal kiest, áls je kiest. Wij mensen zijn nu eenmaal heel talig. Veel van wat we leren, leren we door er een verhaal van te maken. Ook rekenvaardigheden hebben een grote talige component.”
Het kabinet heeft ook een nieuwe wet in de maak die kwaliteitszorg in het onderwijs verplicht stelt. Als die wordt aangenomen, moeten scholen niet alleen wetenschappelijk onderbouwd werken, maar ook hun onderwijs verbeteren in vier fasen: doelen stellen, ze uitvoeren, checken of ze zijn gehaald en bijstellen indien nodig.
Ook op dit punt is Bekkering positief. “Ik ben een voorstander van de onderzoekende houding die hoort bij een kwaliteitscyclus. Het dwingt scholen en teams om na te denken over hun doelstellingen. Wat mij betreft is in die kwaliteitscyclus de check het belangrijkste. Die moet gebaseerd zijn op intervisie: leraren die meekijken bij elkaar in de klas.”
Plezier en betekenis
Toch staat of valt alles ook hier weer met de visie van de school; het stellen van de juiste doelen. Bekkering: “Ik heb de PISA-opgaven bekeken en ik vind ze zo gek niet. Ze meten of leerlingen taal op een basaal niveau beheersen, goed genoeg om zich te redden in de maatschappij. En ze stellen vast, een stap verder, of ze taal voldoende beheersen om onderlinge relaties te leggen om dingen daadwerkelijk te begrijpen.”
Toch vreest hij voor teaching to the test, als die taalvaardigheid in die kwaliteitscyclus het ultieme doel zou worden. “Ik vind dat plezier en betekenisvol leren, als doelen voorop moeten staan.” Zijn dat soort doelen niet onmeetbaar? “Integendeel. We zijn van plan om met twee promovendi vragenlijsten te gaan afnemen waarmee we plezier en nieuwsgierigheid op Agora scholen gaan meten in vergelijking met andere stichtingen. Mensen mogen mij als een hopeloze romanticus beschouwen, maar dat ben ik niet. Ik probeer gewoon de inzichten toe te passen waarvan ik de afgelopen dertig jaar heb geleerd dat ze werken.”
Kaart of kluwen
De ‘interventiekaart’ die 88 procent van de scholen gebruikt om evidence-informed te werken is eerder een onontwarbare kluwen dan een klip-en-klaar recept. Onder de wetenschappelijke kennis die leraren moeten toepassen, zijn 86 links verzameld. Voor taal alleen al zijn er 9 handreikingen en 16 suggesties waar leerkrachten op kunnen klikken om hun kennis te verrijken. Van die 16 kennislinks verwijzen er 14 naar de website Onderwijskennis.nl.
Het probleem is niet dat er niks lezenswaardigs tussen staat. Zo verwijst de eerste link algauw naar een publicatie uit 2019 die tot stand kwam met medewerking van de Vlaamse Onderwijsraad. Onderwijsonderzoeker Emmelien Merchie schept daarin enige orde in de chaos. Ze heeft de wetenschappelijke inzichten in effectief leesonderwijs verpakt in vijf didactische sleutels.
Voorop staat dat leerlingen moeten begrijpen waarom ze lezen (sleutel: functionaliteit). Klinkt simpel, maar bij een willekeurig krantenknipsel of los tekstfragmentje in een saaie methode, snappen leerlingen dat doel vaak niet.
De tweede sleutel heet interactie. Interactie van de leraar met leerlingen bijvoorbeeld, want zij moeten hen ondersteunen. Klinkt als een open deur, maar bij een half uurtje vrij lezen is het niet gegarandeerd en het hoeft zelfs niet per se. “De sleutels zijn geen checklist van voorschriften die je bij elke leesactiviteit moet afvinken”, legt Merchie desgevraagd uit.
Strategie-instructie, de derde sleutel, valt op want het expliciet aanleren van strategieën bij begrijpend lezen lag de laatste jaren onder vuur. Jezelf vragen stellen voorafgaand aan het lezen van een tekst is wellicht een van de betere voorbeelden hiervan.
Leesmotivatie is nummer vier in een lijst van sleutels die elkaar onderling moeten versterken. Misschien werkt het motiverend als leerlingen in groepjes (interactie) lezen - en schrijven - over een goocheltruc die ze samen moeten uitvoeren (functionaliteit).
Ten slotte moet lezen niet een vak apart zijn, maar een vaardigheid die aan bod komt bij andere vakken. Merchie spreekt van transfer; een ander woord voor de term ‘vakoverstijgend’ die staatssecretaris Tielen gebruikt in de contourschets van haar vernieuwde Masterplan basisvaardigheden.
De Belgische studie, één van meerdere bronnen onder de eerste van 86 links van de interventiekaart, biedt een interessant houvast. Maar of een leerkracht deze weg op moet, maakt de interventiekaart niet duidelijk. Die kan evengoed doorklikken naar één van de negen andere handreikingen voor taalonderwijs van specialisten zoals vakblad Didactief, de Onderwijsinspectie, de Taalunie, de Stichting Lezen of de Kennistafel Effectief Onderwijs.