Het goede nieuws: startende docenten in het voortgezet onderwijs hoeven minder les te geven. Het slechte nieuws: nog veel te weinig mensen weten dat. “Eigenlijk is het van de zotte.”
Tekst
Rob Voorwinden - Redactie Onderwijsblad
-
-
4 Minuten om te lezen
Alexander Bart werkte ruim 17 jaar bij een keukenbedrijf en voor die tijd in de agrarische sector. Hij is nu beginnend leraar biologie op de Pieter Zandt Scholengemeenschap in Kampen: “Op een nieuwe boerderij hoef je alleen te zoeken waar de bezem staat.
“Tegen een beginnende docent moet je niet zeggen: Hier heb je tien klassen, succes ermee. Dan heb je het heel zwaar.” Gelukkig kreeg Alexander Bart, beginnend leraar biologie op de Pieter Zandt Scholengemeenschap in Kampen, een betere start. Hij hoeft zijn eerste twee jaar in het onderwijs minder lessen te geven, en kan in die tijd onder andere een introductieprogramma op zijn school volgen.
Op zo’n zachte landing hebben alle starters recht, volgens de cao voortgezet onderwijs. Nieuwe leraren hoeven in het eerste jaar 20 procent minder lessen te geven, en het tweede jaar 10 procent. Die taakverlichting in de eerste jaren voorkomt dat starters opbranden en het onderwijs snel weer verlaten.
Als starters snel weer uitvallen door een te hoge werkdruk is dat slecht voor het onderwijs
Helaas kennen veel te weinig docenten, schoolleiders en hr-functionarissen deze regeling. Slechts de helft van de starters maakt volledig gebruik van de lestijdverlichting, blijkt uit onderzoek van het arbeidsmarktplatform Voion. En van een introductieprogramma op school blijkt in de praktijk niet veel terecht te komen. Van alle starters die gebruikmaken van de mogelijkheid om minder les te geven, krijgt slechts een kwart een vorm van ‘ondersteuning binnen de schoolcultuur’.
“Eigenlijk is het van de zotte dat zo weinig starters van de regelingen gebruikmaken”, vindt AOb-bestuurder Kim van Strien. “De cao-afspraak is al bijna twintig jaar oud. We gaan de regels nogmaals onder de aandacht brengen. Want als starters snel weer uitvallen door een te hoge werkdruk is dat slecht voor het onderwijs en slecht voor de leerlingen. En vooral slecht voor de starter zelf.”
Wekelijks samenkomen
Een school waar het wél goed gaat is het Munnikenheide College in Etten-Leur. Starters krijgen er taakverlichting en een intensieve begeleiding. Vanaf de zomervakantie tot aan de herfstvakantie komen alle beginners bijvoorbeeld wekelijks samen.
“In die bijeenkomsten komt van alles aan bod”, zegt afdelingsleider p&o Luca Langen. “Ook praktische zaken, zoals de uitleg van Afas of hoe je een printopdracht aanmaakt. Dat kan je er allemaal niet bij hebben als je een relatie aan het opbouwen bent met een klas van dertig leerlingen.”
De starters kunnen hun lessen ook laten opnemen met een camera, en elkaar feedback geven. Na de herfstvakantie komt de groep nog elke twee weken bij elkaar voor intervisie, en na de kerst zijn de groepsbijeenkomsten maandelijks.
Zachte landing
Een introductieprogramma helpt beginners echt, concludeert het arbeidsmarktfonds Voion. ‘De meeste docenten vinden de eerste twee jaar een hele zware tijd. Zij onderschrijven het belang van goede begeleiding. Met name coaching, observaties in de klas en intervisiebijeenkomsten worden als waardevol ervaren.’
De meeste docenten vinden de eerste twee jaar een hele zware tijd
De taakverlichting van starters geldt volgens de cao ook voor zij-instromers, die immers ook nieuw zijn in het onderwijs. Fijn, vindt starter Bart op de Pieter Zandt Scholengemeenschap. Bart werkte ruim 17 jaar bij een keukenbedrijf waarvan de laatste 10 jaar als leidinggevende, en vóór die tijd in de agrarische sector. “Op een nieuwe boerderij hoef je alleen te zoeken waar de bezem staat. In het onderwijs is alles nieuw.” Dan is het fijn als je een wegwijs wordt gemaakt.
Op het Munnikenheide College geldt het inwerkprogramma zelfs voor ervaren docenten die van een andere school komen. “Ook zij hebben het soms lastig”, zegt afdelingsleider p&o Langen. “Op hun vorige school hebben ze een naam en een band met de leerlingen opgebouwd. Hier moeten ze dat weer opnieuw gaan doen.”
Onterechte minimumgrens
Uit het Voion-onderzoek blijkt dat werkgevers soms ten onrechte een minimumgrens van 0,5 fte hanteren. Wie voor minder dan een halve werkweek is aangesteld, zou geen recht hebben op taakverlichting. “Dat klopt dus echt niet”, zegt AOb-bestuurder Kim van Strien. Verder denken werkgevers vaak dat zij-instromers en nog niet-bevoegde docenten geen recht hebben op reductie. Ook dat is onjuist. ‘Dit zijn juist gewenste doelgroepen’, benadrukt Voion.
Op het Munnikenheide College geldt de regeling gelukkig wel voor starters die nog geen bevoegdheid hebben. Dat kan een risico zijn, zegt p&o’er Langen. “Het risico bestaat dat de mensen ergens anders gaan werken zodra ze hun bevoegdheid halen. Maar dat risico nemen we: we willen toch investeren in mensen. En doordat ze een zachte landing hebben gehad, hebben ze misschien ook minder behoefte om ergens anders te gaan werken.”
Beginner Bart werkt inmiddels anderhalf jaar in het onderwijs, en heeft zijn lestijdreductie dus inmiddels vrijwel achter de rug. “Ik heb geen moment gedacht: dit is te veel”, zegt Bart. “Maar ik heb collega’s gezien die het zwaar hadden. Dus die reductie is echt nodig: beter een te zachte landing dan dat je halfbakken voor de klas wordt gezet.”
Meer onderwijsblad lezen? Word AOb lid!
Als lid heb je toegang tot alle onderwijsbladen. Meer over alle voordelen vind je hier.