Scholen worstelen met eisen voor burgerschapsonderwijs
Twintig jaar na invoering van de wet op het burgerschapsonderwijs worstelen scholen nog steeds met de uitvoering ervan. De helft van de geïnspecteerde scholen krijgt een herstelopdracht voor hun burgerschapstaak. Gaan de nieuwe kerndoelen helpen?
Tekst Rutger Vahl - Redactie Onderwijsblad - - 7 Minuten om te lezen
Beeld: XF&M
‘Burgerschapsonderwijs hoort niet gericht te zijn op ‘aanpassingsgericht gedrag’ oftewel het leerlingen opleggen wat goed is en hoe zij gutmenschen kunnen worden. Zodra burgerschapsonderwijs gaat voorschrijven wat goed en fout is, zit je vooral aan de indoctrinatiekant wat leerlingen juist passief maakt. Hierdoor krijgen leerlingen soms ook een afkeer van zaken die ze ‘door de strot geduwd krijgen’, zoals bij overmatig veel aandacht voor duurzaamheid, lhbtq+, etc.’
Deze quote komt uit een enquête naar burgerschapsonderwijs die ik afnam onder mededocenten van College de Heemlanden in Houten. Ik hield de enquête samen met een collega; we zijn allebei in opleiding tot docent eerstegraads. Ons doel was te achterhalen hoe er gedacht wordt over burgerschapsonderwijs. De uitkomst liet zien dat de steun voor deze wettelijke taak groot is, meer dan 80 procent vindt burgerschapsonderwijs belangrijk tot zeer belangrijk, maar dat leraren ook twijfelen over wat er van hen verwacht wordt en wat goed burgerschapsonderwijs eigenlijk precies is.
Twintig jaar verder
Het is twintig jaar geleden dat primair en middelbaar onderwijs te maken kregen met de wet op het burgerschapsonderwijs. Het waren de nadagen van de moorden op Pim Fortuyn in 2002 en Theo van Gogh in 2004. Scholen moesten explicieter aandacht gaan geven aan het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie. De wet legde echter nauwelijks vast wat er van het onderwijs werd verwacht en daardoor ontstond in de praktijk veel variatie.
Van de geïnspecteerde basisscholen voldoet 57 procent niet aan de wet
In het Themaonderzoek burgerschapsonderwijs constateerde de inspectie in 2020 dat er op scholen best veel gebeurde aan burgerschapsvorming, maar dat er van een samenhangend curriculum zelden sprake was. Een aanscherping van wet specificeerde daarom in 2021 waaraan scholen moeten voldoen. Zij moeten doelgericht en samenhangend werken aan burgerschap door zich expliciet te richten op respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Ook moeten zij werken aan de ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties zodat leerlingen kunnen deelnemen aan en bijdragen aan de pluriforme, democratische samenleving. Tot slot dient er respect te worden bijgebracht voor verschillen in levensbeschouwing, godsdienst en achtergrond.
Maatwerk
Is hiermee een einde gekomen aan de jarenlange worsteling van scholen met de invulling van hun burgerschapsopdracht? Was het maar waar. Nu de inspectie sinds twee jaar ook burgerschapsonderwijs beoordeelt, blijkt dat 57 procent van de geïnspecteerde basisscholen en 67 procent van de middelbare scholen niet voldoet aan de wet en dus een herstelopdracht krijgt, zo blijkt de jongste Staat van het onderwijs.
“Je ziet dat heel veel scholen het belang van burgerschapsonderwijs onderstrepen en er ook veel aan doen’, zegt Niels van Leuteren, inspecteur voor het primair onderwijs. “Maar het is vaak nog te incidenteel. Scholen doen activiteiten en haken aan bij het nieuws. Maar de wet vraagt dat je een doelgericht curriculum hebt: waar wil je de kinderen naar toe brengen, welke houding wil je meegeven? Dat is een andere manier van denken. Daarvoor heb je een doordachte visie nodig. Ook op vragen als: in welke wijk staat mijn school en wat vraagt dit specifiek van mijn burgerschapsonderwijs? Krijgen mijn leerlingen dingen mee van huis die schuren met democratische basiswaarden? Dit vraagt maatwerk en dat mist nog vaak bij scholen.”
Abstracte begrippen
AOb-bestuurder Christijn Snippe is leerkracht op de interconfessionele basisschool De Triangel in Gouda. Hoewel hij de gedachte achter burgerschapsonderwijs toejuicht, Snippe schreef er op de pabo zijn eindscriptie over, ziet hij dat scholen nog altijd op veel praktische problemen stuiten. “Zo is het meten van burgerschapsonderwijs, waar de inspectie om vraagt, heel lastig”, zegt hij. “Hoe laat je zien wat er gebeurd is? Hoe meet je wat resultaten zijn? Heel veel docenten zijn goed in staat moeilijke discussies in de klas te voeren, maar het is lastig dat op papier te zetten, temeer omdat de begrippen in de wet en waar de inspectie mee werkt abstract zijn. Wat is bijvoorbeeld ‘respect hebben voor’ en ‘kennis hebben van’ democratische waarden? En wat valt er onder diversiteit? Hoewel er naar mijn idee heel veel op scholen gebeurt, krijgt de meerderheid een herstelopdracht. Ik vind dat best vreemd. Je maakt mij niet wijs dat meer dan de helft niet goed weet om te gaan met bijvoorbeeld diversiteit in de klas.”
‘De wet vraagt dat je een doelgericht curriculum hebt’
Kerndoelen
Afgelopen juli publiceerde de Stichting Leerplan Ontwikkeling de concept-kerndoelen voor burgerschap. Opvallend is dat democratie en rechtsstaat centraal zijn gezet. Eén kerndoel luidt: ‘De school geeft vorm aan de democratische oefenplaats.’ Een ander: ‘De leerling leert over samenleven in een democratische rechtsstaat’, waarbij het belang van ‘basiswaarden van de democratische rechtsstaat’ worden erkend. Ook moeten leerlingen nadenken hoe ze moeten omgaan met diversiteit en ook hoe ze zelf kunnen bijdragen aan de samenleving. Tot slot, zegt een ander kerndoel, is het belangrijk dat de leerling ‘ervaringen op[doet] met democratische en maatschappelijke betrokkenheid.’
Is dit de concretisering waar het onderwijs al zolang naar smacht? AOb-bestuurder Kim van Strien is gematigd positief: “In het verleden hadden docenten bij een curriculumherziening geen stem. Nu wel en dat is een vooruitgang. Aan de andere kant blijft het wringen. Als je bij een les inspeelt op de actualiteit is dat burgerschapsonderwijs. Het probleem is dat je dit bij de inspectie moet verantwoorden. Staat niet alles op papier, dan krijg je een herstelopdracht. Maar je kunt gewoon niet alles wat je doet documenteren.”
Artikel 23
Wat ook blijft wringen is hoe burgerschapsonderwijs zich verhoudt tot artikel 23 van de Grondwet, de vrijheid van onderwijs. Dat bleek eind oktober vorig jaar in de aanloop naar de verkiezingen. Geconfronteerd met het relaas van een homoseksuele jongen die zich op een reformatorische school onveilig en niet geaccepteerd had gevoeld, verklaarde cda-lijsttrekker Henri Bontenbal dat scholen hun religieuze waarden, zoals het afwijzen van een homoseksuele leefstijl, mogen uitdragen, ook als dit ‘schuurt’ met het non-discriminatiebeginsel uit artikel 1 van de Grondwet.
Zowel Christijn Stippe als Kim van Strien vinden dit ‘een lastige’. “Voor ons is belangrijk dat een leerling of personeelslid altijd zichzelf mag zijn”, zegt Van Strien als ze geconfronteerd wordt met de uitspraken van Bontenbal. Ook Snippe heeft moeite met de uitleg die de politicus aan beide grondrechten gaf. “De wetgever moet helder vastleggen wat er van scholen wordt verwacht: en wie zich er niet aan houdt, krijgt problemen met de inspectie.” Hoewel die duidelijkheid er tot nu niet was, verwacht Snippe hierin een verandering. “Het verbod op discriminatie wegens seksuele gerichtheid staat pas sinds 2023 expliciet in de Grondwet”, licht hij toe. “Dit is daarmee nieuw terrein voor de inspectie.”
‘Leraren kunnen een discussie faciliteren, maar geen mening opdringen’
Vangrail
Inspecteur Niels van Leuteren beaamt dit. Hij vindt dat de discussie over burgerschapsonderwijs niet verengd moet worden naar het omgaan met homoseksualiteit. “Scholen met een denominatie zijn zich heel erg bewust van het spanningsveld. Het beeld dat zij dit aspect van burgerschapsonderwijs afwijzen, herken ik niet. Ik hoef op geen enkele school uit te leggen dat kinderen zich veilig moeten voelen.” Maar ook docenten moeten zich in het kader van hun burgerschapstaak veilig kunnen voelen. Uit onze enquête op College de Heemlanden bleek dat sommigen bang zijn dat burgerschapsonderwijs neer gaat komen op voorschrijven wat leerlingen wel en niet mogen denken. Kim van Strien ziet dat niet gebeuren: “Maak jezelf niet gek. Leraren zijn professionals die een discussie kunnen faciliteren, maar geen mening opdringen.” Ook inspecteur Van Leuteren wil niets horen van een overheid als gedachtepolitie. “Dat is het absoluut niet. Zie burgerschapsonderwijs meer als een vangrail voor onze samenleving.”
Nieuwe kerndoelen
De huidige kerndoelen die omschrijven wat leerlingen in de onderbouw moeten kennen en kunnen stammen uit 2006 en zijn vrij algemeen geformuleerd. Daardoor is voor scholen en leraren niet altijd duidelijk wat er precies van hen wordt verwacht. Er was behoefte aan meer samenhang in het lesprogramma, minder overladenheid en betere aansluiting tussen leerjaren. Ook veranderingen in het onderwijs, in vakken en in de samenleving maakten vernieuwing nodig.
Vanaf 2022 werkte de Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) samen met het onderwijsveld aan herziening van alle kerndoelen. Na de eerste oplevering gaf meer dan 180 scholen en vakexperts feedback. Op last van het ministerie van Onderwijs heeft SLO de kerndoelen meer samenhangend gemaakt, met extra aandacht voor lezen, schrijven en rekenen. Dit leidde tot minder kerndoelen.
In de loop van 2025 zijn alle conceptkerndoelen voor primair en voortgezet onderwijs opgeleverd. Zodra de politiek de nieuwe kerndoelen vastlegt in de wet, gelden ze voor alle scholen. Dit gebeurt gefaseerd. De kerndoelen voor Nederlands, rekenen en wiskunde gaan waarschijnlijk per 1 augustus 2026 in, andere kerndoelen, waaronder die voor burgerschap, een jaar later. Volledige invoering wordt verwacht rond augustus 2031.
Met nieuwe kerndoelen gaan ook de eindtermen op de schop; die gelden voor het examenonderwijs. Conceptversies zijn nog niet definitief vastgesteld, maar de planning is dat dit rond 2026-2027 gebeurt.
Beeld: XF&M