Krimpende instroom tweedegraads lerarenopleidingen brengt tekortvakken verder in de knel
Grote zorgen in het voortgezet onderwijs over tekortvakken als Frans, Duits, Nederlands en wiskunde. De instroom aan de tweedegraads hbo-lerarenopleidingen loopt steeds verder terug. “Eigenlijk leiden we met z’n allen één grote klas op.”
Tekst Arno Kersten - Redactie Onderwijsblad - - 12 Minuten om te lezen
Eerstejaars studenten aan de tweedegraads lerarenopleiding Frans (HAN). Beeld: Duncan de Fey
Frans is een prachtige taal. Mirle Derks (19) wist op de havo - middelbare school Agora - al dat ze er iets mee wilde. “Echt, ga je Fráns studeren, vroegen sommige mensen uit mijn omgeving? Ze konden zich niet voorstellen dat iemand dat uit vrij wil zou willen doen”, vertelt de student aan een tafeltje in het imposante gebouw van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) aan de Nijmeegse Kapittelweg.
Het is kwart over twaalf en ze komt net uit de les. Daar zat ze samen met alle vijf andere voltijd eerstejaars van deze opleiding. Praktisch een privéklasje, zo klein is de nieuwe lichting van deze hbo-lerarenopleiding. Gelukkig heeft ze een goede klik met haar medestudenten. “Het is bij zo’n kleinschalige opleiding wel heel fijn als je elkaar goed ligt.” Bij meer algemene onderwijsvakken zoals vakdidactiek is de groep wel groter, want dan schuiven studenten van verwante lerarenopleidingen aan, zoals Duits. Derks: “Ik zie dat als een voordeel, want zo krijg je nieuwe inzichten en perspectieven en leer je ook weer andere mensen kennen.”
Het is bij zo’n kleinschalige opleiding wel heel fijn als je elkaar goed ligt
Vorig jaar brak ze dezelfde opleiding aan de Hogeschool Utrecht af, omdat het accent in het eerste jaar voor haar te veel op didactiek lag en te weinig op de taal zelf. Dit jaar maakt ze een nieuwe start, nu aan de HAN, en ze voelt zich helemaal op haar plek. Frans is een tekortvak, dat weet ze: scholen zullen straks voor haar in de rij staan. Maar hoe ze zelf haar toekomst voor zich ziet? “Dat weet ik nog niet zo goed. Als ik les zou gaan geven, dan het liefst op een Agora-school. Maar ik heb nog even de tijd om te ontdekken welke kant ik op wil.”
Mirle is één van de 62 studenten die afgelopen september aan de tweedegraads hbo-bachelor lerarenopleiding Frans zijn begonnen. 62 eerstejaars, voltijd en deeltijd samen, verspreid over zeven hogescholen. Het laagste aantal sinds mensenheugenis. In 2020 waren het er 92, in 2017 startten nog 131 studenten, in 2011 155.
“Rampzalig”, vat docent Dylan Knoop verbonden aan de Fontys-lerarenopleiding Frans in Tilburg die ontwikkeling kernachtig samen. Van ‘zijn’ ingestroomde eerstejaars zijn er inmiddels ook weer een paar afgehaakt, zoals dat gaat. “Even tellen, we hebben nu vier voltijdstudenten in het eerste jaar en drie in het tweede jaar.” Collega-lerarenopleider Twan Geerts op de HAN telt nu zes voltijd eerstejaars. Wel heeft hij in februari nog een paar studenten in de deeltijd erbij gekregen. “Maar ja, het is heel zorgwekkend.”
Instroom hbo tweedegraads lerarenopleidingen 2010-2025
De cijfers hebben betrekking op de instroom van studenten per september van elk jaar (voltijd, deeltijd en duaal). Bij een deel van de bacheloropleidingen stromen er vanaf februari nog nieuwe studenten in, die zijn hier niet meegenomen. Bron: Vereniging Hogescholen. Infographic: Typetank
Niet alleen bij Frans baart de dalende instroom grote zorgen. Eerder dit jaar bleek uit cijfers van de Vereniging Hogescholen dat die situatie zich ook voordoet bij andere belangrijke tekortvakken zoals Duits, Nederlands, economie, wiskunde, natuur- en scheikunde. Zelfs bij een relatief populair vak als Engels, dat nog altijd 570 eerstejaars aantrekt, tekent zich de afgelopen paar jaar een krimp af van honderden studenten. Het gaat daarbij om de reguliere voltijd- en deeltijdstudenten die in september zijn begonnen. Sommige opleidingen hebben een extra instroommoment in februari, maar die cijfers publiceert de Vereniging Hogescholen niet.
AOb-bestuurder Kim van Strien, zelf docent Frans en afgestudeerd aan de Rotterdamse lerarenopleiding, ziet de achteruitgang met lede ogen aan. “Het is een trend die al langer gaande is, maar dit jaar zet de daling wel keihard door. Als je bedenkt dat de komende jaren veel oudere collega’s met pensioen gaan, maak ik me als docent echt zorgen over de toekomst van ons vak. Wie staat er straks nog voor de klas?”
Beeld speelt onderwijs parten
Groot is het contrast met de lerarenopleiding voor het basisonderwijs, de pabo. Die zit de afgelopen twee jaar juist flink in de lift. De opleiding profiteert van verschillende ontwikkelingen die het beeld aanmerkelijk vrolijker kleuren. Na jaren van actievoeren zijn de salarisschalen opgetrokken naar die in het voortgezet onderwijs, waardoor leraren in het basisonderwijs gelijk verdienen met hun collega’s op de middelbare school. Ook is het curriculum van de opleiding op de schop genomen, met meer ruimte voor vrije keuze en maatwerk. En om die ene vraag gelijk maar af te vinken: de meeste betrokkenen die het Onderwijsblad sprak voor dit verhaal geloven niet dat de populariteit van de pabo ten koste gaat van de tweedegraads lerarenopleidingen. “Dat hebben we toevallig net bij onze eerstejaars onderzocht, maar daar blijkt geen sprake van”, reageert Simon Rozendal, directeur van de Academie Educatie van NHL Stenden.
Pabostudenten kiezen door de bank genomen heel bewust voor de leerlingleeftijd tot twaalf jaar. En geven meestal niet de tweedegraads lerarenopleiding als alternatief op. Die tweedegraads opleidingen zijn van oudsher een bonte verzamelplaats van interesses en achtergronden. Studenten die ‘iets’ willen met een taal of een vak, zonder nog precies te weten wat. Studenten die de hbo-propedeuse willen halen als opstap naar een vakinhoudelijke opleiding aan de universiteit. En ja, uiteraard zijn er ook studenten die gelijk na hun eigen middelbare school daar zelf graag voor de klas willen. Zoals AOb-bestuurder Van Strien: “Ja, ik was een van die gekken”, grapt ze.
Het stereotype beeld van lastige adolescenten die onderuitgezakt in de banken hangen, is een hardnekkig imago dat het voortgezet onderwijs parten speelt
Het stereotype beeld van lastige adolescenten die onderuitgezakt in de banken hangen, is een hardnekkig imago dat het voortgezet onderwijs parten speelt, zegt Jeffrey Potze, docent Engels en Duits op de Thorbecke Talentschool in Rotterdam. Het lijkt soms alsof er met de hedendaagse jeugd geen land valt te bezeilen. Ten onrechte, stelt hij. “Knap hoor dat je dat kan in deze tijd, voor de klas staan op een middelbare school. Dat krijg ik nog wel eens te horen. Het zijn vaak ouders die dat tegen me zeggen. Dan reageer ik meestal met: nou, omgaan met ouders kan soms lastiger zijn dan met leerlingen.”
“Dat negatieve beeld is iets dat we de afgelopen tijd regelmatig terug horen”, herkent Rozendal als bestuurslid van het Algemeen Directeurenoverleg Educatieve Faculteiten (ADEF), een landelijk netwerk van lerarenopleidingen in het hoger onderwijs. Maar er is niet één sluitende, alomvattende verklaring voor de afnemende aanwas bij al die verschillende lerarenopleidingen. Zo stroomden bijvoorbeeld bij de lerarenopleiding Nederlands voorheen beduidend meer studenten in met een pabo-achtergrond. Die merkten dat ze, met name in het noorden, moeilijk aan de bak kwamen op een basisschool. Of, zegt Potze, ze zagen dat het voortgezet onderwijs veel beter betaalde. Maar voor allebei geldt: die tijden zijn voorbij.
Eerstejaars studenten van de tweedegraads lerarenopleiding Frans aan de HAN. Beeld: Duncan de Fey
Onvoldoende toegerust
Het lerarentekort creëert z’n eigen vicieuze cirkels, ook in het voortgezet onderwijs. Zoals bij het vak Frans. Dat wordt door steeds meer middelbare scholen geschrapt omdat ze geen bevoegde docenten kunnen vinden - of omdat Spaans beter in de markt ligt. “Frans schrappen is een hele pragmatische oplossing, maar daarmee maak je het probleem natuurlijk alleen maar groter”, betoogt Geerts, verbonden aan de HAN. Minder middelbare scholieren die Frans krijgen, betekent nog minder toekomstige leraren Frans. “En voor de studenten die er zijn, wordt het moeilijker om een stageplek te vinden.”
Zijn hogeschool-collega Mariska Gootzen, lerarenopleider Nederlands, ziet hoe studenten nog tijdens de opleiding aangetrokken worden door scholen. Die zogenoemde ‘groenpluk’ doet zich niet alleen op de pabo’s voor, maar ook bij tekortvakken in het voortgezet onderwijs. Al tijdens de stage krijgen studenten de vraag of ze openstaande vacatures willen vervullen. Ze treden dan geregeld al in dienst van de instelling, terwijl ze officieel nog in een opleidingstraject zitten. Met als gevaar dat studenten zich te vroeg en onvoldoende toegerust op het werk storten. En vertraging oplopen of de opleiding zelf uiteindelijk niet meer afronden. “Voor deeltijders die er helemaal klaar voor zijn kan dat heel fijn zijn, want dan kan je snel overstappen van je ene naar je andere baan. Maar voor jonge voltijdstudenten zitten daar veel risico’s aan.”
Die stoere gasten die nu voor het eerst op stage gaan… en dat ze dan zeggen: ik vind het wel zó spannend als ik voor de klas sta
Studievertraging en voortijdige uitval terugdringen worden alleen maar belangrijker als de instroom terugloopt. Op allerlei manieren proberen lerarenopleidingen studenten bij de les te houden, letterlijk en figuurlijk. Redmar Oosterkamp, lerarenopleider wiskunde en studiecoach aan de Hogeschool van Amsterdam, vertelt dat de instelling elke maandagmiddag eerstejaars vrijblijvend een ruimte aanbiedt om te studeren, in het bijzijn van een docent. “Studeren kun je toch overal, zul je zeggen? Er is behoefte aan om dat samen te kunnen doen. Ik zit er dan vaak bij. Ze bereiden er bijvoorbeeld hun stages voor, die net zijn begonnen.” Trots is hij op zijn studenten. “Die stoere gasten die nu voor het eerst op stage gaan… en dat ze dan zeggen: ik vind het wel zó spannend als ik voor de klas sta. Ze doen het maar wel mooi.”
Eerstejaars studenten aan de tweedegraads lerarenopleiding Frans bij de HAN. Beeld: Duncan de Fey
Financiële kostenpost
Slinkende lerarenopleidingen zijn een financiële kostenpost, maar met een maatschappelijke opbrengst. Zeker bij vakken met grote tekorten. De vraag is niet alleen hoe lang, maar ook tegen welke prijs, hogescholen ze in de lucht kunnen houden. “Het brengt financieel een behoorlijke uitdaging met zich mee”, weet Oosterkamp, die ook in de medezeggenschapsraad van de faculteit zit, de deelraad. Daar is het uiteraard ook onderwerp van gesprek. Sommige opleidingen zoals Frans, natuurkunde en scheikunde zijn te klein om rendabel te zijn. “Uitgangspunt bij ons is dat er door het bestuur is gezegd alle opleidingen te willen behouden.” Datzelfde geluid klinkt bij de HAN, vertelt Gootzen. Ze zit in dezelfde hoek als collega Geerts op de derde verdieping aan de Nijmeegse Kapittelweg. De opleidingen in de talensectie trekken - ondanks de onderlinge verschillen - veel samen op om het generieke deel van het curriculum handen en voeten te geven, zoals de didactiek. “Studenten krijgen dat aangeboden in gemengde groepen. Ik zie daar zeker wel kansen liggen. Maar de aanleiding is ook een financieel vraagstuk geweest.”
Het is een omslag die alle instellingen op de een of andere manier hebben ingezet met lerarenopleidingen die onderling verwant zijn. In het verlengde daarvan ligt de route naar een dubbele bevoegdheid - in een gecombineerd opleidingstraject van vijf jaar - weer op tafel. Het is een van de zaken waarvoor de educatiedirecteuren via het ADEF aandacht - én financiële steun - vragen in een actieplan dat de nijpende situatie bij de tweedegraads lerarenopleiding hoger op de politieke agenda moet zetten.
Van mij mag een dubbele bevoegdheid weer de norm worden
“Van mij mag een dubbele bevoegdheid weer de norm worden”, reageert docent Potze. Hij haalde na zijn lerarenopleiding Engels op een later moment een tweede bevoegdheid voor Duits toen de schoolleiding maar geen bevoegde docent kon vinden. “Daar moet je dan wel iets tegenover stellen: die leraren dan ook gelijk in schaal LC belonen.”
Vraag is wel wat die verbreding betekent voor de specifieke vakinhoud van de opleiding. Daarover delen lerarenopleiders ook hun zorgen. “Die ruimte vind ik op dit moment al minimaal, het water is eigenlijk al uit de spons geknepen”, zegt Knoop, lerarenopleider Frans bij Fontys. Hij hing net nog aan de lijn met zijn Nijmeegse collega Geerts om te kijken of ze andere lerarenopleiders in hun vakgebied kunnen mobiliseren om ervaringen uit te wisselen. Geerts: “Er zijn zeven tweedegraads lerarenopleidingen Frans. We moeten elkaar niet als concurrenten zien, eigenlijk leiden we met z’n allen één grote klas op.”
Lerarenopleider Twan Geerts. Beeld: Duncan de Fey
Onverstandig
En wat is dan het toekomstscenario als de instroom de komende jaren blijft afnemen? Dat hogescholen opleidingen samen gaan aanbieden en opleidingslocaties op de tocht komen te staan, of een hybride tussenvorm invoeren? Geerts zou het ook onverstandig vinden. “Studenten kiezen meestal voor een opleiding in de eigen regio. Dus als de lerarenopleiding niet meer zou worden aangeboden, gaan ze waarschijnlijk voor een andere studie bij dezelfde hogeschool.”
Dat fenomeen onderkent ook Rozendal van het ADEF, los van het besef dat innige samenwerking ook veel overleg en afstemming vergt en dat die tijd ook weer kostbaar is. “En je kan je afvragen of dat de kwaliteit dan weer ten goede komt. Maar ik sluit niet uit dat op termijn bijvoorbeeld generieke onderdelen op de locaties plaatsvinden dicht bij de student en dat de vakspecifieke, inhoudelijke onderdelen mogelijkerwijs op een andere manier aangeboden worden om het nog te kunnen bolwerken.”
Je moet dat oefenen en leren in contact met anderen, anders word je een soort LOI
Geerts benadrukt het belang van fysieke nabijheid voor het leerproces, helemaal bij de talen. “Je moet dat oefenen en leren in contact met anderen, anders word je een soort LOI.” Daar sluit AOb-bestuurder en docent Frans Van Strien zich bij aan. Ze onderstreept hoe betekenisvol het leraarschap is, ook in het voortgezet onderwijs. Iedereen kent wel een docent van de middelbare school die een bijzondere indruk heeft achtergelaten. “Je kan echt iets voor jongeren betekenen. We kunnen dat niet genoeg met elkaar uitdragen.”