Hoe je lezen plezierig maakt - voor leerling én leerkracht
Een leerkracht die niet van lezen houdt, moet zich tóch in kinderliteratuur verdiepen en bekwamen, zeggen experts uit het vak. Het curriculum op basisscholen vraagt intussen om beter literatuuronderwijs. “Niet lezen in de klas is geen optie.”
Tekst Maaike Lange - Redactie Onderwijsblad - - 8 Minuten om te lezen
Het enthousiasmeren van kinderen voor literatuur komt te veel op het bordje van leerkrachten terecht. Terwijl: “Het plezier in lezen en het maken van leesmeters kan ook juist thuis gebeuren.” Dat vindt kinderboekenambassadeur Rian Visser. Zij heeft zelf 140 kinderboeken geschreven, zowel voor educatieve als literaire uitgeverijen. “Leerkrachten zijn niet de enige verantwoordelijken als het gaat om lezen met kinderen. Veel ouders denken nu bijvoorbeeld dat de Kinderboekenweek een schoolproject is, terwijl je vroeger als ouder juist dan met je kind naar de bibliotheek ging.” Als kinderboekenambassadeur wil zij ouders daar bewust van maken. “Ga samen met je kind naar de bibliotheek.” En iedereen die van lezen houdt kan helpen, roept zij op. Geef je buurkind een prentenboek cadeau. Of ga voorlezen als oom, tante of vriend. “Dat haalt de druk weg bij leerkrachten.”
Maar lezen hoort zeker ook thuis op school, benadrukt Visser. “Eigenlijk vind ik dat elke leraar van lezen zou moeten houden. En als je er niet van houdt, zorg dan tóch dat je op de hoogte bent van de kinderboeken zodat je kinderen wel kunt adviseren. Je moet lees-enthousiasme kunnen overbrengen. Dat hoort bij het vak van leerkracht.” Ze heeft ook tips hoe je dat kunt doen, voor leraren die minder van lezen houden: “Haal bijvoorbeeld tien boeken uit de bibliotheek en lees het eerste hoofdstuk. Dan weet je in ieder geval waar het boek over gaat.” Maak een lijst van boeken die je mooi vindt, raadt ze aan, leg een databank aan, zodat je kinderen kunt adviseren. “Een professioneel leerkracht vindt een manier om lezen aantrekkelijk te maken”, stelt ze. “Als een leraar enthousiast is over Lampje van Annet Schaap dan denken kinderen dat zal wel iets speciaals zijn. Het werkt aanstekelijk.”
Beeld: Nanne Meulendijks
De leerkracht moet een verdiepingsslag maken
Tamar van Gelder is directeur van Stichting Lezen, een landelijke organisatie die zich inzet voor leesbevordering voor kinderen en jongeren tot twintig jaar. Zij is positief over de kentering die langzaamaan plaatsvindt op pabo’s. Volgens haar zijn jonge leerkrachten beter toegerust met kennis van kinderboeken. “Dat is belangrijk, want het is de taak van de leerkracht om kinderen kennis te laten maken met nieuwe boeken en een verdiepingsslag te maken.”
Van Gelder wijst erop dat veel onderzoek aantoont dat leesvaardigheid en leesgedrag aan de basis liggen voor alle andere schoolvakken. “Je kunt met kinderen aan de hand van leesboeken praten over allerlei onderwerpen die in de maatschappij belangrijk zijn. Daarnaast is leesvaardigheid belangrijk voor digitale geletterdheid.”
Leesvaardigheid en leesgedrag liggen aan de basis voor alle andere schoolvakken
Literatuur heeft een grotere rol gekregen in de kerndoelen van het basisonderwijs. In augustus 2026 gaan de definitieve conceptkerndoelen Nederlands wettelijk in. Opgenomen is nu dat scholen een rijke leesomgeving moeten bieden. “Dat stond er eerder nog niet in. Lange tijd kregen studenten van de pabo vooral les in technisch of begrijpend lezen en was er nauwelijks aandacht voor jeugdliteratuur. Pabo-studenten krijgen nu dus op een andere manier les dan oudere docenten. Dat betekent dat ze vaak op een stageschool komen waar minder aandacht is voor literatuur dan ze op de opleiding nu leren. Ook in die schoolomgeving moeten ze zien vol te houden dat lezen belangrijk is.”
Tot leven
Om die reden organiseert de stichting bijvoorbeeld Pabo Boek, een verkiezing van genomineerde titels waaruit studenten vervolgens hun favoriete boek kiezen. “Dat werkt inspirerend en motiverend.” Ook organiseert de stichting samen met scholen en pabo’s ontmoetingen tussen kinderen, studenten en kinderboekenschrijvers. “Kinderboekenschrijvers gaan regelmatig naar een basisschool of naar de pabo. Literatuur komt tot leven als je met een schrijver erover kunt praten.”
Precies deze oproep deed docent Annina Fritzen vorig jaar in het Onderwijsblad met het opiniestuk ‘Kinderboekenschrijvers, bezoek eens een pabo’. Fritzen vindt het niet helemaal eerlijk dat leerkrachten in het basisonderwijs steevast het verwijt krijgen dat zij te weinig kennis hebben van lezen en jeugdliteratuur. Die kritiek is te eenzijdig, vindt zij. Kinderboekenschrijvers en uitgevers zouden zich meer moeten verdiepen in pedagogiek en in wat zich op pabo’s afspeelt.
De stap naar hogere literatuur
Eén van de pabo’s waar jeugdliteratuur een uitgesproken plek in het curriculum heeft, is de Ipabo in Amsterdam en Alkmaar. Studenten leren hoe zij effectief leesonderwijs kunnen geven en hoe ze leesmotivatie en leesplezier van kinderen kunnen behouden of vergroten. Ook heeft de Ipabo de afstudeerrichting Lezen. Het hele vierde jaar kunnen studenten zich dan specialiseren in het geven van goed leesonderwijs. “Daar zijn we de enige pabo in”, zegt Inouk Boerma, associate lector Lezen bij Hogeschool Ipabo.
Literatuur komt tot leven als je er met een schrijver over kunt praten
Boerma legt uit dat haar studenten, toekomstige leerkrachten dus, leren om gesprekken te voeren met kinderen aan de hand van jeugdliteratuur. “De leerkracht kan vragen: Wat vond je van het boek, hoe heb je het beleefd, wat heb je tussen de regels door gelezen, zitten er flashbacks in, hoe vind jij hoe een hoofdpersoon hier wordt neergezet?”
Studenten wordt ook kritische geletterdheid bijgebracht. Daarbij gaat het om de vraag hoe je je eigen identiteit, taal en de wereld kritisch kunt bevragen aan de hand van jeugdliteratuur. Hoe worden mannen en vrouwen neergezet in het boek? Wie heeft de macht, vanuit welk perspectief wordt geschreven, wie komt er wel aan het woord en wie juist niet?
“We vinden het belangrijk om studenten hiervan bewust te maken. Ze leren hierdoor ook het voeren van moeilijke gesprekken naar aanleiding van een boek. Boeken over pesten, of bijvoorbeeld De lijst van Violet Sopjes van David Vlietstra, een boek over psychische problematiek, dat is heel spannend. Onze studenten lezen het en leren hoe ze hierover met kinderen kunnen praten.”
Beeld: Nanne Meulendijks
Boerma is het niet eens met opiniestukauteur Fritzen, die vindt dat kinderboekenschrijvers zich moeten verdiepen in wat er op de pabo onderwezen wordt. “Kinderboekenschrijvers hoeven niet met een pedagogische bril op te schrijven. Ze maken iets wat zij zelf mooi vinden. Maar als leraar moet je wel het verschil in kwaliteit in kinderboeken kennen en herkennen. Kinderen die lezen moeilijk vinden, kun je niet in één keer de stap naar hogere literatuur laten maken, de leraar is nodig om met makkelijkere boeken de tussenstappen te maken.
Nieuwe werelden leren kennen
Tiny Fisscher is schrijver en heeft meer dan zestig titels op haar naam staan, zowel voor kinderen, jongeren als volwassenen, en zo nu en dan wordt zij uitgenodigd op een pabo om te vertellen over haar vak en haar boeken. “Wat me een paar jaar geleden nog opviel was dat van de ongeveer zeventig eerstejaars studenten die ik voor mijn neus had, er hooguit tien grage lezers waren. Een wat hoger aantal vond lezen ‘mwa, het is dat het moet’ en de rest gaf eerlijk toe dat ze er niks aan vonden.”
“Ik wil heel praktisch en simpel aan pabo-studenten uitleggen waarom het zo belangrijk is om goed te kunnen lezen”, vervolgt ze. “Je geeft kinderen er namelijk een betere toekomst mee. Goed kunnen lezen, leidt tot een grotere taalvaardigheid, waardoor je je beter kunt uitdrukken of duidelijk maken. Als je je niet duidelijk kunt maken, ga je misschien eerder vechten. Een grote woordenschat opbouwen is voor de rest van je leven belangrijk en veel verschillende boeken lezen helpt daarbij.”
Bovendien leer je door boeken verschillende werelden kennen, vertelt ze. “De wereld is veel groter dan je eigen leven. Misschien lezen kinderen een prachtig verhaal over iemand die in een ander land woont, in een ander gezin, met angsten die ze niet kennen of juist herkennen.”
“Stel dat jij als leerkracht niet van lezen houdt, doe dan alsof je er van houdt. Ga lekker spelen met taal. Er zijn steeds meer blogs van leerkrachten over lezen die leuk en leerzaam zijn.” Als schrijver moet je je eigen fantasie volgen, vindt zij. “Maar het kan wel handig zijn om je te verdiepen in de leeftijdsgroep waarvoor je schrijft. Zodat het verhaal klopt met wat kinderen dan aankunnen.”
Verbinding maken met een kind
Het is nuttig als schrijver om kennis te hebben van didaktiek en te weten hoe boeken in het onderwijs worden ingezet”, vindt Jorine Lamsma die twee jaar geleden debuteerde als kinderboekenschrijver en daarnaast docent Nederlands is. “Dat boeken niet alleen helpen met lees- en taalbevordering, maar dat ze je ook iets leren over het leven. Ik heb zelf voor de klas gestaan en die ervaring verwerk ik in mijn boeken. In Operatie brugklas schrijf ik over een kind dat het moeilijk heeft op school. Het is gebaseerd op een ervaring van een vriendin die lastig was op school, maar aan wie nooit werd gevraagd: Hoe gaat het met je? Terwijl haar ouders net gescheiden waren, en dat reageerde ze af op school. In mijn boek is er wel iemand voor de hoofdpersoon, iemand die wél doorvraagt. Op de opleiding tot eerstegraads docent leerden we dat het gaat om de verbinding die je legt met leerlingen. In mijn boek probeer ik hetzelfde te doen, een verbinding te leggen met een kind.”