Een vast contract voor elke leraar zou vanzelfsprekend moeten zijn, maar dat is het nog allerminst
De Raad van State is kritisch over een - deels afgezwakt - wetsvoorstel om tijdelijke contracten en externe inhuur in het primair en voortgezet onderwijs terug te dringen. Wat de AOb betreft, wordt er snel werk gemaakt van concrete maatregelen. “De wet geeft een stok achter de deur om individuele besturen aan te spreken.”
Tekst Arno Kersten - Redactie Onderwijsblad - - 7 Minuten om te lezen
Typetank
Alle leraren een vast contract. Het lijkt een utopie, maar dat is het niet. In elk geval niet bij de Brabantse stichting SSOE, verantwoordelijk voor drie scholen voor speciaal (voortgezet) onderwijs en twee expertisecentra in de regio Eindhoven. Alle 147 leerkrachten op de loonlijst hebben een vast dienstverband, aldus cijfers van de Dienst Uitvoering Onderwijs DUO).
“Dat klopt, bij ons heeft niemand een tijdelijke aanstelling”, beaamt bestuurder Hilbert de Vries. “Als je bij ons komt werken, begin je gelijk in vaste dienst. We vinden het belangrijk om medewerkers perspectief te bieden en duurzaam aan onze organisatie te binden.” Leraren zijn - samen met de vele onmisbare ondersteuners - de pijlers waarop het onderwijs drijft. Wat meespeelt: het leerlingaantal zit in de lift. Aan de hand van toekomstprognoses stippelde het bestuur de personeelsbehoefte voor vijf tot zes jaar vooruit. De tijdelijke geldpot van het Nationaal Programma Onderwijs kwam goed van pas om de groei ‘voor te financieren’. Met vaste contracten, dus.
We hebben geen gebrek aan leraren, maar een tekort aan scholen waar mensen graag willen werken
“In deze tijden van lerarentekorten kunnen we het ons niet veroorloven om medewerkers in onzekerheid te laten zitten. Ik zeg wel eens chargerend: we hebben geen gebrek aan leraren, maar een tekort aan scholen waar mensen graag willen werken”, aldus De Vries. Ook huurt de stichting amper personeel van buiten in. Slechts een half procent van de totale personeelsuitgaven gaat naar externe inhuur. Ze hebben zelf een pool van eigen mensen opgezet voor interne vervanging. “Ik weiger 150 euro per uur te betalen aan een of andere uitzendclub. Het is ook niet goed voor de teams op scholen om steeds leraren van buiten in te vliegen.”
Stabiliteit is van groot belang op scholen, weet AOb-bestuurder Anton Bodegraven. Niet voor niks staat het team-aspect nadrukkelijk benoemd in het recente Beroepsbeeld Leraar, het beroepsmanifest gestoeld op de ervaring en inbreng van duizenden leraren. Daarom maakt hij zich ook zo druk om de fikse flexibele schil bij een deel van onderwijsorganisaties. “Uitgangspunt van de cao is dat je als leraar in principe direct vast in dienst komt, maar we zien dat starters bijna standaard op basis van tijdelijke contracten werken. Alsof je eerst een heel jaar door je proeftijd moet.”
Bijeffecten van NPO
De rijkgevulde subsidietrog van het Nationaal Programma Onderwijs (NPO) bevatte 5,8 miljard euro voor het primair en voortgezet onderwijs. Bedoeld om corona-achterstanden bij leerlingen aan te pakken, werkte de financiële megaboost allerlei bijeffecten in de hand op de onderwijsarbeidsmarkt. Het wakkerde een explosieve vraag aan naar extra ondersteuning in de klas, dreef het nijpende lerarentekort verder op en zorgde voor een toename van tijdelijk ingehuurd personeel.
Maar de groei van de flexibele schil in het funderend onderwijs is een ontwikkeling die al veel eerder is ingezet. In 2012 - acht jaar voor de corona-uitbraak - had nog bijna 94 procent van de leraren in het primair onderwijs een vaste aanstelling. Sindsdien is dat percentage nooit meer zo hoog geweest. 122.616 van de 130.903 leerkrachten waren in vaste dienst, zo blijkt uit cijfers van DUO. Twaalf jaar later telt de sector ruim 10 duizend leraren met een vast contract minder; het aantal collega’s met een tijdelijke aanstelling groeide juist met meer dan 5 duizend. In het voortgezet onderwijs ligt die percentagepiek voor vaste contracten net iets later - en ook een stuk lager. In 2013 had ruim 84 procent van de docenten een vast contract. In 2024 zijn er 1400 leraren minder in vaste dienst en 4,5 duizend meer met een tijdelijk contract.
(Het artikel gaat verder onder de infographic.)
Beeld: Typetank
In dezelfde periode is het funderend onderwijs ook aanzienlijk meer gaan uitgeven aan externe inhuur. Deze categorie ‘personeel niet in loondienst’, een verzamelpost in de huishoudboekjes, omvat vooral commercieel ingehuurd personeel, via uitzendbureaus, of zzp’ers. Naast leraren kunnen dat ook ondersteuners of managers zijn. In 2012 ging het alles bij elkaar om een slordige 275 miljoen euro, zes jaar later al om 633 miljoen en in 2024 om 1,1 miljard. Als aandeel op de totale personeelsuitgaven verdubbelende het percentage van iets meer dan 2 naar 4,75 procent voor beide sectoren samen. Bij een deel van de onderwijsinstellingen liggen de kosten voor externe inhuur daar nog een stuk boven - vooral in de grote steden, waar de lerarentekorten groter zijn. Op verschillende plekken zijn initiatieven gestart om het tij te keren. “In mei 2025 hebben we in het Amsterdamse basisonderwijs afgesproken om de externe inhuur van leerkrachten af te bouwen en uiteindelijk helemaal te stoppen met commerciële inhuur”, aldus een woordvoerder van de Amsterdamse Stichting Westelijke Tuinsteden.
Islamitische schoolbesturen vallen op met flexibele schil
Het Onderwijsblad inventariseerde welke schoolbesturen in het primair en voortgezet onderwijs relatief veel tijdelijke contracten én externe inhuur hebben. Opvallend is dat islamitische schoolbesturen daarbij prominent vertegenwoordigd zijn. Het zijn vaak kleinere organisaties met jonge scholen. Neem de stichting Islamitisch Onderwijs Noord-Holland, beter bekend als Elif Scholen, die vier basisscholen vertegenwoordigt in Amsterdam, Amstelveen en Zaanstad. Van de leraren heeft tweederde een vaste aanstelling, 15 procent van de personeelslasten gaat naar externe inhuur. “Je moet vanaf dag één bevoegde leraren voor de klas hebben. Het eerste wat de inspectie wil zien, is een kopie van de diploma’s. Dan moet je die maar inhuren”, vertelt bestuurder Yusuf Altuntaş. Volgens hem liggen islamitische scholen bij de inspectie onder een vergrootglas en is het met de krappe markt alleen maar lastiger geworden om personeel te vinden. “Leraren kiezen de school, niet andersom. Ze kunnen overal aan de slag.” Ook noemt hij de ‘subsidieconfetti’ als een van de factoren. “Eerst met het Nationaal Programma Onderwijs, nu voor de basisvaardigheden.”
Meer speelruimte voor besturen
Ook in politiek Den Haag is de groei van de flexibele schil niet onopgemerkt gebleven. Toenmalig Onderwijsminister Dennis Wiersma wilde vier jaar terug al de teugels aanhalen en werkte aan ingrijpende regels om werkgevers zo nodig met harde hand bij te sturen. Afgelopen jaar is het conceptwetsvoorstel ‘strategisch personeelsbeleid’ na veel vertraging eindelijk voor advies aan de Raad van State voorgelegd. De plannen bevatten een aantal concrete arbeidsmarktmaatregelen. Zo mogen werkgevers maximaal 2 procent van de personeelskosten uitgeven aan leraren van buiten.
Opmerkelijk zijn sommige verschillen met de eerste versie van de voorstellen. Het Onderwijsblad legde de recente conceptwet naast de oorspronkelijke tekst die in 2023 openbaar werd gemaakt voor internetconsultatie. Waar de oude versie nog als stelregel gebruikte dat werkgevers contracten van minimaal 0,8 fte moeten verstrekken - tenzij de werknemer dat anders zou willen - heeft de nieuwe versie het over een ‘gemiddelde betrekkingsomvang in schriftelijk opengestelde vacatures’ per kalenderjaar van minstens 80 procent. Die formulering geeft besturen veel meer speelruimte. Ook hoeven werkgevers niet meer 80 procent van alle, individuele werknemers een vaste aanstelling te geven, maar 80 procent gemiddeld van de voltijdbanen (fte) voor leraren. En de regel dat personeel na een tijdelijk contract van maximaal 12 maanden recht heeft op een vaste aanstelling, is geschrapt.
(Het artikel gaat verder onder de infographic.)
Beeld: Typetank
Maar de Raad van State heeft het - deels afgezwakte - wetsvoorstel weer teruggestuurd naar de tekentafel en afgeraden om het in deze vorm bij de Tweede Kamer in te dienen. De kritiek luidt onder meer dat de autonomie van schoolbesturen te veel wordt ingeperkt en dat sommige onderdelen een betere onderbouwing vragen. Werkgevers willen dat de plannen helemaal in de prullenbak verdwijnen. Of dat gebeurt, valt nog te bezien; het is aan het nieuwe kabinet om te bepalen hoe het verder moet, zo laat een woordvoerder van het ministerie van Onderwijs desgevraagd weten.
Wat de AOb betreft wordt er snel werk gemaakt van concrete regels. Anton Bodegraven wijst erop dat de dreiging van wettelijke maatregelen al jaren boven de markt hangt. “We zijn al zo lang bezig om de flexibele schil terug te dringen en in de praktijk is er nog te weinig voortgang geboekt.”
We zijn al zo lang bezig om de flexibele schil terug te dringen en in de praktijk is er nog te weinig voortgang geboekt
De jarenlange toename van de tijdelijke contracten laat in 2024 wel een kentering zien ten opzichte van de periode ervoor, zoals het Onderwijsblad eerder al belichtte. Maar dat is één jaar en te vroeg om al te juichen, vindt Bodegraven. Hij wijst erop dat er ook veel besturen zijn die met hun vaste contracten ver onder het sectorgemiddelde blijven steken. “Het is net als met een gemiddelde groepsgrootte van 23: je weet dat er dan ook nog steeds veel klassen zijn met 30 of 32 leerlingen. De wet geeft een stok achter de deur om individuele besturen aan te spreken.