Beeld: Pixabay

Passend onderwijs wekte onhaalbare verwachtingen

Bijna zes jaar na de invoering van passend onderwijs valt niet vast te stellen of de ondersteuning van leerlingen is verbeterd. Duidelijk is wel dat bij de ingrijpende stelselwijziging te hoge verwachtingen zijn gewekt over hulp op maat en meer handen in de klas. Dat beeld komt naar voren in een evaluatie van vijf schooljaren passend onderwijs, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Onderwijs.

Onder het motto ‘regulier waar het kan, speciaal waar het moet’ werd passend onderwijs in augustus 2014 ingevoerd. Nu, 72 tussenrapporten later, wordt in de eindevaluatie de balans opgemaakt.

Leraren kregen sinds de invoering weinig of geen extra faciliteiten om de ondersteuning aan leerlingen handen en voeten te geven. Tegelijkertijd is de vaststelling van de onderzoekers dat passend onderwijs ‘strikt genomen weinig directe gevolgen’ heeft gehad voor het handelen van leraren in hun dagelijkse praktijk. Dat leerkrachten meer werkdruk – en soms frustratie – ervaren, heeft volgens de onderzoekers ook met andere zaken te maken. ‘Wel zijn er aanwijzingen dat de aard en complexiteit van de onderwijsbehoeften veranderd zijn: vaker gedragsproblemen in plaats van – of naast – leerproblemen, en vaker meervoudige problemen.’

‘Er zijn aanwijzingen dat de aard en complexiteit van de onderwijsbehoeften veranderd zijn: vaker gedragsproblemen in plaats van – of naast – leerproblemen, en vaker meervoudige problemen’

Uit ledenpeilingen van de AOb komt naar voren dat passend onderwijs een grote impact heeft op het werk in de klas. “Natuurlijk zijn er altijd meer factoren die de werkdruk bepalen”, reageert AOb-voorzitter Eugenie Stolk. “Maar leraren ervaren dat ze sinds de invoering van passend onderwijs minder grip hebben op de hulp die ze kunnen bieden en dat ze leerlingen lang niet altijd de begeleiding kunnen geven die ze nodig hebben. En dat terwijl de ondersteuning zelf intensiever is en meer van je vraagt.”

Registraties

Na vijf jaar passend onderwijs kunnen lang niet alle prangende vragen worden beantwoord. Zo tonen schoolbesturen zich blij met de toegenomen vrijheid om keuzes te maken. ‘Of dat ook betekent dat de geboden hulp meer op maat is, valt niet goed vast te stellen. Dit komt doordat de doelgroep van passend onderwijs niet is omschreven en betrouwbare registraties van leerlingen en studenten met extra ondersteuning ontbreken.’

Of het geld voor leerlingondersteuning op de goede plek terecht komt, blijft onduidelijk. En wat nou een ‘goede aanpak’ is voor een geslaagde uitvoering van passend onderwijs, valt ook al niet te zeggen. Waar het vaak op neerkomt: er zijn grote verschillen tussen de regionale samenwerkingsverbanden, en ja, er spelen ook nog een heleboel andere factoren een rol.

Zo bepaalt elk samenwerkingsverband de basisondersteuning: de minimale ondersteuning die leerlingen mogen verwachten. Een kwart van de intern begeleiders en ondersteuningscoördinatoren geeft aan dat hun school er nog niet in slaagt die basisondersteuning te realiseren. Bovendien zijn er verschillen tussen scholen onderling. ‘Ondanks de gezamenlijke afspraken blijkt de ene school een veel ruimere opvatting over basisondersteuning te hebben dan de andere school, ook binnen eenzelfde samenwerkingsverband.’

Gespannen voet

Die grote beleidsvrijheid staat soms op gespannen voet met de behoefte aan duidelijkheid en sturing, aldus de evaluatie. De Onderwijsinspectie wees onlangs ook al op de regionale verschillen. De AOb pleit er al jaren voor dat het basisniveau van ondersteuning landelijk wordt vastgelegd. Het is een van de punten die leraren en ondersteuners zelf naar voren brengen (lees alle vijf de punten hier).

“Die basiszorg moet in de wet geregeld gaan worden”, aldus Stolk. “Er is vaak onduidelijkheid over de minimale ondersteuning die je mag verwachten van de school. Dat snap ik ook heel goed. Dat geldt voor ouders en leerlingen, maar ook leraren hebben behoefte aan helderheid.”

Toch stellen de onderzoekers dat ‘het stelsel’ is verbeterd. De ondersteuning aan leerlingen is nu beter georganiseerd en flexibeler. In één opzicht is de operatie voor de rijksoverheid sowieso geslaagd: het kabinet hoeft zich geen zorgen meer te maken over kosten die uit de hand lopen. De overheid heeft een budget vastgesteld waarmee samenwerkingsverbanden het moeten zien te rooien. “Daarmee zijn voor de rijksoverheid de kosten beheerst, maar lokaal hebben mensen af en toe nog behoorlijk veel moeite om de eindjes aan elkaar te knopen en de dingen te doen die ze voor leerlingen van belang vinden”, zei onderzoeker Guuske Ledoux tijdens de online presentatie vanmiddag.

‘Wel verdrietig eigenlijk dat je wel kan concluderen dat het stelsel verbeterd is, maar niet of de ondersteuning aan leerlingen ook daadwerkelijk is verbeterd’

Dat afgebakende budget fietste de hoge verwachtingen – over meer hulp op maat voor leerlingen en over meer hulp in de klas voor leraren – in de wielen. ‘De suggestie dat elke leraar op meer ondersteuning in de eigen klas zou kunnen rekenen (‘meer handen’), was budgettair nooit realistisch. Dat heeft spanning en frustraties veroorzaakt.’

Stolk: “Wel verdrietig eigenlijk dat je wel kan concluderen dat het stelsel verbeterd is, maar niet of de ondersteuning aan leerlingen ook daadwerkelijk is verbeterd. Het systeem is leidend geworden. Het lijkt me vooral een extra signaal dat we de leerlingen en leraren nu echt centraal moeten stellen.”

Meer nieuws

Terug in de bubbel

Armand Kertzman, fotograaf en leerkracht, documenteert in coronatijd het leven op basisschool de Wingerd in Roosendaal. Tot 16 december 2020 bood school leerlingen een ontsnapping,... LEES VERDER