Hoogleraar Eddie Denessen: “Als je leerlingen in een aparte stroom plaatst, kan dat leiden tot een selffulfilling prophecy.”
Hoogleraar Eddie Denessen: “Als je leerlingen in een aparte stroom plaatst, kan dat leiden tot een selffulfilling prophecy.” Beeld: Fred van Diem

‘Ouders die kunnen kiezen, kiezen categoraal’

Stimuleer de vorming van brede brugklassen door de keuzevrijheid van ouders in te perken. Dat zegt Eddie Denessen, hoogleraar sociaal-culturele achtergronden en differentiatie in het onderwijs aan de Universiteit Leiden.

In het regeerakkoord staat dat scholen moeten zorgen voor een ‘regionaal dekkend netwerk van brede brugklassen’. Dat idee is verder nog niet uitgewerkt, maar: Mee eens?
“Absoluut, in principe. Want als je leerlingen vroeg differentieert naar onderwijsniveau – van vmbo tot vwo – zoals we nu vaak doen, worden de scheidslijnen scherper. Dan wordt onderwijs een stromenland: leerlingen worden op een niveau geplaatst waar ze nog maar moeilijk bovenuit stijgen. Dat is vooral heel vervelend voor leerlingen die van huis uit minder bagage hebben meegekregen. Die leerlingen worden weggeselecteerd naar een lager niveau, voordat ze hebben laten zien wat ze kunnen.”

Je zegt: ‘In principe’.
“Het regeerakkoord gaat met ‘een dekkend netwerk’ niet ver genoeg. Want ouders die kunnen kiezen, kiezen vaak categoraal. Een netwerk van brede brugklassen heeft weinig zin als we de keuzevrijheid van ouders niet inperken.”

En dan bedoel je vooral hoogopgeleide ouders zeker?
“Hoogopgeleide ouders willen dat hun kind maximaal tot zijn recht komt. En zij denken dat dat het beste kan in een selectieve track: in een tweetalig gymnasium of een vwo-plusklas bijvoorbeeld, waar extra uitdaging wordt geboden. Nu is er in principe niks mis met extra uitdaging. Maar wel als dat ten kost gaat van kinderen met dezelfde aanleg die, vanwege hun sociaaleconomische achtergrond, meer tijd nodig hebben om boven te komen drijven.”

Het regeerakkoord wil niet af van de categorale brugklassen. ‘Sommige kinderen zijn daar meer op hun plek’, staat er.
“Dat zal zeker het geval zijn: er zijn vast wel typische gymnasiasten en typische vmbo-leerlingen. En als het doel van je onderwijs is om zo snel mogelijk het maximale uit elke leerling met hoger opgeleide ouders te halen, kan een categorale brugklas dat doel dienen.
Maar onderwijs heeft meer doelen. Leren omgaan met elkaar, bijvoorbeeld. Dus leren omgaan met leerlingen met andere niveaus en uit andere milieus. En een belangrijk doel van onderwijs is vooral ook het bieden van gelijke kansen. Dat alles gaat nu eenmaal het beste in brede brugklassen.”

Dat is bewezen?
“In andere landen, zoals Canada en Finland, zitten de leerlingen veel langer bij elkaar. En dat werkt prima. Daardoor krijgen kinderen uit lagere milieus duidelijk betere kansen om zich te ontwikkelen.”

‘Ik ben een maantje, dus ik word nooit een zonnetje’

Differentiëren begint in Nederland al op de basisschool, toch?
“Zeker. Op het prikbord in mijn werkkamer hangt een briefje van een moeder die schrijft dat haar zoon nachtmerries heeft omdat hij geen ‘zonnetje’ is. In zijn klas gebruiken ze Veilig leren lezen, waarmee leerkrachten hun leerlingen indelen in zonnetjes, maantjes en sterretjes. Deze leerling was slechts een ‘maantje’: een leerling met een normaal leesniveau. En daar was hij heel verdrietig over. Dat geeft wel aan dat leerlingen differentiatie soms anders ervaren dan wij inschatten, ondanks al onze goede bedoelingen.”

Niet meer differentiëren dan maar?
“Ik ben niet per se tegen differentiatie. Alleen moeten we blijven opletten hoe we ermee omgaan. Als je leerlingen in een aparte stroom plaatst, kan dat leiden tot een selffulfilling prophecy. Dan kan een leerling denken: Ik ben een maantje, dus ik word nooit een zonnetje. Aan de andere kant wil je als leraar toch wel graag differentiëren, zodat je leerlingen op verschillende niveaus aanspreekt. Bij volledig klassikaal onderwijs bereik je immers altijd maar een deel van de kinderen.”

Hoe ga je als leraar om met die tegenstelling?
“Je kunt bijvoorbeeld de leerlingen eens laten wisselen van groepje, zodat ze niet steeds in hetzelfde clubje zitten. Maak eens motivatie- of interessegroepen, waarin je leerlingen bij elkaar zet die samen de interesse voor een bepaald onderwerp delen. Veel variatie is goed: elke onderwijsvorm heeft voor- en nadelen en als je steeds dezelfde vorm gebruikt, heb je dus ook steeds dezelfde nadelen.”

Terug naar het voortgezet onderwijs. Wat kunnen leraren daar doen?
“Leraren zitten klem. Want de overheid heeft, in het basis- én voortgezet onderwijs, twee beleidsinitiatieven. Aan de ene kant is er het stimuleren van toptalenten, waarin extra aandacht wordt gevraagd voor snelle leerlingen. Aan de andere kant is er het bevorderen van gelijke kansen. Dat gaat niet samen. Of je geeft extra aandacht aan een kleine groep voorlopers, of je geeft extra aandacht aan leerlingen die minder van huis hebben meegekregen – en die dus meer afhankelijk zijn van school. Je kunt niet iedereen tegelijk extra aandacht geven.”

Er is een race gaande om de beste cijfers en de hoogste diploma’s’

Hoe moet het onderwijs daarmee omgaan?
“Daar is geen pasklaar antwoord op. Laten we beginnen met als maatschappij minder druk te leggen op prestaties. Want de race om de beste maatschappelijke posities leidt op dit moment tot een race om cijfers en diploma’s. Waardoor hogeropgeleide ouders alles uit de kast halen om hun kinderen zo hoog mogelijk te laten scoren. En dat gaat vooral ten koste van de prestaties van de kinderen met een andere sociaaleconomische achtergrond. Maar goed, die lagere prestatiedruk is wellicht een utopie.”

Kun je als leraar zelf iets doen, in je klas?
“Ga steeds bij jezelf te rade wat de gevolgen zijn van de differentiatie die je toepast. Verwacht je van iedereen even veel, of houd je stiekem al rekening met de achtergronden van de leerlingen? Blijf jezelf kritisch bevragen. Heel veel differentiatie gebeurt onbewust en ongewild. Bewustwording is de eerste stap.”

Dit artikel is gepubliceerd in het Onderwijsblad van januari 2018.

 

 

Meer nieuws