Beeld: Typetank

Mogen we uit het hokje?

Meiden met een migratie-achtergrond doen het goed in het onderwijs. Ze halen steeds hogere diploma’s. Wat hen betreft is het wel een keer klaar met 'het hokje'. Vooral wanneer de leraar ze alleen na een aanslag aanspreekt op hun achtergrond.

Wat een tocht over eierschalen is dit verhaal. Het begint al wanneer ik mijn collega Aziza Badouri aanschiet. Normaal gewoon collega, maar nu wil ik haar iets vragen als vrouw van ‘niet-westerse allochtone komaf’. En daarmee doe ik precies wat Nederlanders met een migratieachtergrond – in 2016 is het woord allochtoon officieel afgeschaft – vaak vervelend vinden: ik stop haar in een hokje. Of zoals Naima Matrit (die naam gebruikt ze online) me later via Facebook laat weten: “De diversiteit binnen allochtonen is zo groot dat we op z’n Maxima’s eigenlijk moeten zeggen: ‘de allochtoon’ bestaat niet.”

Aziza blijkt een goede bron. Ze heeft sociologie gestudeerd en zes jaar geleden zelf onderzoek gedaan naar de tweede generatie Marokkaans-Nederlandse vrouwen, haar eigen generatie. Ze herkent het beeld uit de cijfers. In vijftien jaar tijd is het aantal ‘niet westerse allochtone vrouwen’, zo heet de groep in de data van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), tussen de 25 en 35 jaar met een hbo-diploma op zak ruim verdubbeld. Doorgaans heeft deze groep Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse roots. In 2003 had 11 procent van de niet-westerse allochtone vrouwen in deze leeftijdsgroep een bachelor diploma, in 2017 is dat bijna een kwart. Ook het masterniveau wordt dik twee keer zo vaak gehaald. In 2003 had 6 procent van hen een master- of doctorstitel. In 2017 is dat 13 procent.

Bron CBS.

De allochtone dames komen wat de bachelors betreft inmiddels in de buurt van de autochtone mannen tussen de 25 en de 35 jaar. En ze zijn de hardste stijgers. Hun aandeel bachelordiploma’s is in vijftien jaar tijd zelfs nog iets harder gestegen dan het aandeel bachelors binnen de groep autochtone vrouwen tussen de 25 en 35 jaar.

Doorzetters

Een deel van dat succes zit hem in het verschuiven van de populatie, vertelt hoogleraar diversiteit en onderwijs Maurice Crul (VU Amsterdam, Erasmus Universiteit Rotterdam). In 2003 was een groter aandeel van de gepeilde groep eerste generatie migranten. Vrouwen die vorig jaar tussen de 25 en 35 jaar oud waren zijn meestal tweede generatie, wat betekent dat zij zelf in Nederland zijn geboren en minimaal één van beide ouders in het buitenland. Hun kansen op een diploma in het hoger onderwijs liggen aanzienlijk hoger, aldus Crul. Maar ook het onderwijs zelf heeft een steentje bijgedragen. “Denk aan het tegengaan van voortijdige schooluitval en het wegwerken van taalachterstanden.” Daarnaast zijn meiden doorzetters. Ze zijn bijvoorbeeld beter in staat om de langere route via het mbo vol te houden dan jongens met een vergelijkbare achtergrond. Dat lukt hen ook omdat er meer te winnen valt. Crul: “Door langer te studeren stellen zij het huwelijk uit en verhogen ze hun zelfstandigheid.” Voor de jongens is dat vaak andersom. “Zo tegen de twintig voelen zij voelen juist de aantrekkingskracht van de arbeidsmarkt: geld verdienen. Als het hbo dan niet makkelijk gaat is de keuze snel gemaakt.”

Vrije wil

De stijgende opleidingsniveaus zijn mooi, maar collega Aziza ziet ook een andere tendens. Namelijk dat de derde generatie zich steeds meer terugtrekt in de eigen groep. Zowel op school als in de maatschappij. Aziza: “Natuurlijk vond ik het destijds vervelend wanneer klasgenoten tijdens ramadan pesterige opmerkingen maakten. Ze gingen er automatisch vanuit dat ik niet uit vrije wil meedeed. En zeiden: je vader gaat vast je tong checken vanavond. Maar ik begreep ergens ook wel hun onbegrip. Ik, of mijn cultuur, was nieuw voor hen. De derde generatie snapt niet dat er nog steeds zoveel vooroordelen zijn. Zij hebben daar echt geen trek meer in.”

‘De derde generatie pikt de stigmatisering niet langer’

Sterker nog, ze pikken de stigmatisering niet langer, stelt Machteld de Jong, lector diversiteit aan de Hogeschool Inholland. Zij interviewt al bijna twintig jaar Nederlanders met een niet-westerse achtergrond, vooral Marokkaanse. “De huidige leerlingen worden boos als ze er nog steeds niet bij mogen horen. Of ze maken zich heel bezorgd.” Terwijl leraren op hun beurt ook naar de jongeren wijzen. Ze verzuchten bijvoorbeeld dat etnische groepen hardnekkig samenklitten in de klas, of in ieder geval zodra de bel is gegaan. Maurice Crul: “Docenten vragen zich af: waarom mengen ze niet? Met ‘ze’ bedoelen ze dan leerlingen met een migratieachtergrond. Maar in de grote steden heeft inmiddels ruim de helft van de jongeren een migratieachtergrond. Wie moet dan mengen met wie?”

Gevoelig

Ik merk iets van de gevoeligheid wanneer ik op een facebookgroep voor vrouwen van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse komaf een oproepje plaats. Ik vraag ze of ze zelf een verklaring hebben voor het onderwijssucces van vrouwen met deze komaf. Iemand post al snel: “Waarom we steeds hogere diploma’s halen? Wat dacht je van: we zijn hier geboren, spreken de taal en hebben hersenen net als iedereen.”

Volgens Amber, zij gebruikt geen achternaam op Facebook, is dit een typisch tweede generatie-onderwerp, iets uit het verleden. Noura Assakkali-Elkasmi vraagt zich af of ze nu blij moet zijn omdat ze een compliment krijgt. “Ik zie echt zo’n juffie staan: bravo bravo!” En Hafi Itas zegt: “Waar blijft m’n sticker?” Hier sloeg ik de plank dus mis. Ik ging er vanuit dat deze vrouwen zelf vinden dat ze het lastiger hadden in het onderwijs vanwege hun achtergrond. Maar het leeuwendeel vindt het vooral beledigend dat ik ze eruit licht.

Kansen

Waarom doen we dat eigenlijk? Nou ja, omdat de kansen van leerlingen met een migratieachtergrond, zeker die van jongens, nog altijd lager liggen dan die van hun autochtone klasgenoten. Wetenschappers en beleidsmakers baseren deze kans onder andere op cijfers over leerrendement, of studiesucces zoals hogescholen dit vandaag de dag noemen. Succes betekent dat je binnen vijf jaar je bachelor haalt. In de database van de Vereniging Hogescholen kun je studenten vervolgens verdelen in ‘allochtoon niet westers’ en ‘autochtoon’. Dan zie je inderdaad dat het hoger onderwijs voor studenten met een migratieachtergrond vaak een pittiger traject is. Al valt vooral op dat iedereen de afgelopen vijftien jaar beduidend langer over de studie is gaan doen. In 2003 was nog 58 procent van de studenten binnen vijf jaar klaar. Van de groep die in 2012 startte en dus vorig jaar klaar had moeten zijn, had nog maar 49 procent zijn bachelor.

Bron: Vereniging Hogescholen.

Interessanter wordt het wanneer je groepen nog verder uitsplitst, naar vooropleiding. Dan zie je een ander probleem. Namelijk dat het mbo slechter is gaan voorbereiden op het hbo.

‘De allochtone student is oververtegenwoordigd in de stapel-route via het mbo’

Volgens hoogleraar Crul worden studenten met een niet westerse migratieachtergrond hier ten onrechte aangekeken op iets waar zij niets aan kunnen doen. “In de beeldvorming vallen deze twee onderwerpen samen: lagere kansen op studiesucces en de groepen met een niet-westerse achtergrond. Maar feit is dat de allochtone student oververtegenwoordigd is in de stapel-route via het mbo.”

Bron: Vereniging Hogescholen.

Tot slot helpen de vooroordelen niet. Leerlingen die moslim zijn moeten bijvoorbeeld nog te vaak antwoord geven op vragen over aanslagen, over IS, over Syrië of wat men dan ook maar linkt aan de islam. Aziza Badouri noemt een voorbeeld van haar eigen zoontje. “Hij zit op het vwo als enige moslim in de klas en heeft ook alleen maar witte vriendjes. Op de ochtend na de aanslagen in Parijs vroeg de leraar opeens: ‘zo, kun jij nu even uitleggen waarom moslims dit soort aanslagen plegen?’. Hij voelde echt alle ogen op hem gericht. Opeens was hij anders dan de rest van de klas. Hij zegt ook wel eens: ik ben een Marokkaan. Dan zeg ik: lieverd, dat slaat nergens op. Je bent hier geboren, je kan niet eens Berbers verstaan. Maar hij zegt: zo zien ze me wel. En dat vind ik erg. Met dat idee hebben wij hem niet opgevoed.”

Taboe

Docenten stellen deze onhandige vragen dus ook. Of ze weten moeilijker een klik te maken met leerlingen uit een andere cultuur, aldus De Jong. “En dat is nog steeds een taboeonderwerp. Terwijl de rol van de docent hierbij niet te onderschatten is.” Aziza zou graag meer bewustheid over de vaak onbewuste vooroordelen zien. “Ik vraag me af docenten zich voldoende realiseren wat bepaalde vragen teweeg brengen. Daarover praten is heel waardevol denk ik.” De Jong suggereert dat docenten zich ook meer moeten verdiepen in de verschillende achtergronden van hun leerlingen of studenten. Recent schreef ze met adviseur Huub Nelis het boek ‘Help, onze school is gekleurd!’ met beschrijvingen van de meest voorkomende culturen in Nederland. Jeroen van Andel, tot voor kort werkzaam als beleidsmedewerker voor de AOb en ex-docent in zowel het po, hbo als wo, vraagt zich af of die kennis van culturen per se nodig is. Hij gooit het liever op vakmanschap. “Neem het etnisch profileren bij agenten bijvoorbeeld. Als een politieagent te vaak een verkeerd persoon aanhoudt, dan doet hij zijn vak niet goed. Hij kan dat doen vanuit vooroordelen of zelfs vanuit racistische denkbeelden, maar dat hoeft niet. Mijn punt: het is gewoon geen goeie agent.” Door het vak leraar centraal te stellen kom je ook een beetje weg van de gevoeligere onderwerpen zoals etniciteit en achtergrond, denkt Van Andel.

Sociale klasse

Vanuit de data verdwijnt het hokje ‘migratieachtergrond’ overigens vanzelf. Althans, mits de tweede generatie kinderen krijgt met mensen die ook in Nederland zijn geboren. Het CBS definieert wel derde generaties, waarbij de wieg van minimaal één opa of oma in het buitenland stond, maar deze groep heeft geen standaard plek in Statline, de database waar iedereen analyses kan doen op CBS-gegevens. En dat is prima, denkt Crul. “Wanneer je beide ouders in Nederland zijn geboren wordt het veel belangrijker of zij hoger onderwijs hebben gevolgd of niet. Sociale klasse voorspelt dan in grote mate iemands kansen. Dat is niet anders dan bij mensen zonder migratieachtergrond.”

Dit artikel verscheen in het Onderwijsblad van juni 2018. Elke maand het Onderwijsblad in de bus? Overweeg een lidmaatschap.

Meer nieuws

Nipt cao-akkoord universiteiten

De leden van alle vier de vakbonden hebben ingestemd met het cao-akkoord voor de universiteiten. ‘Een heet hangijzer blijft dat universiteiten zeer creatief de cao... LEES VERDER