Hoogleraar theoretische sterrenkunde Vincent Icke waagt vanuit een klein beetje kennis met heel jonge kinderen al een stap naar begrip.
Hoogleraar theoretische sterrenkunde Vincent Icke waagt vanuit een klein beetje kennis met heel jonge kinderen al een stap naar begrip.

Beeld: Typetank

Hoogleraar voelt zich thuis voor de kleuterklas

Lesgeven aan heel jonge kinderen gaat sommige wetenschappers schijnbaar moeiteloos af. Een tekort aan feitenkennis blijkt geen probleem voor wie meegaat in hun gedachtenkronkels. Goede juffen doen dat, maar het gebeurt in het onderwijs niet genoeg.

Het lijken uitersten in het onderwijs: de universiteit en de kleuterklas. Op de ene plaats verklaart een hoogleraar duizelingwekkende formules. Op de andere telt de kleutermeester kaarsjes op een verjaardagstaart. En toch, hoogleraren voelen zich verbonden met de natuurlijke nieuwsgierigheid van heel jonge kinderen.

Sterrenkundige Vincent Icke, hoogleraar theoretische sterrenkunde aan de Universiteit Leiden, herinnert zich nog een les die hij jaren geleden gaf in de klas van zijn dochter Julia, een combinatiegroep 3/4 op basisschool de Haanstra in Leiden. Die les maakte indruk, zag ik als stagiair op die school de volgende ochtend. Kinderen verzamelden zich opgewonden rond een foto van het heelal op het digibord, en deden hun best dat woord goed te spellen. Blijkbaar was Icke erin geslaagd de nieuwsgierigheid en verbeeldingskracht van de kinderen aan te spreken.

Pallets

Natuurlijk, er zijn verschillen in het lesgeven aan kleuters of aan studenten, maar het basisprincipe is hetzelfde, legt Icke uit. “Je moet toegang krijgen tot het hoofd van een ander. En in dat hoofd, daar woont al iemand. Daar moet je rekening mee houden. Vroeger, op mijn lagere school in De Bilt gebeurde dat niet. Daar werd de kennis als een bak over je heen gegooid met de boodschap: zie maar dat je het redt.”
Hoe doe je dat, betekenisvol lesgeven over pittige onderwerpen aan zeer jonge kinderen met nauwelijks achtergrondkennis? “Natuurlijk heb je kennis nodig om tot inzicht te komen”, zegt Icke. “Maar je kunt niet pallets met kennis iemands hoofd binnenschuiven en dan verwachten dat je nog welkom bent.”

‘Als we onze kinderen niet toerusten met kennis, stuur je ze weerloos de wereld in’

Kees Boeke

Vanuit een klein beetje kennis waagt Icke met heel jonge kinderen al een stap naar begrip. In zijn lessen voor de allerjongsten, maar ook in zijn gastlessen voor groep 7 en 8 van de Leidse weekendschool JES Rijnland, maakt hij gebruik van plaatjes, geïnspireerd op Machten van tien, het boek uit 1957 waarin Kees Boeke stap voor stap steeds verder inzoomt; vanuit het heelal op de aarde, op de mens en uiteindelijk op moleculen en atomen. Icke: “Kinderen zien op die plaatjes dat de aarde een bol is, maar hé. De zon en de maan zijn dat ook. Hoe zou dat komen?”

‘Je moet kinderen niet met informatie overstelpen’

Het lijkt een vraag die kleuters boven de pet gaat, maar Icke weet dat te voorkomen vanuit een tastbaar voorbeeld: “Voor een jong publiek begin ik soms te praten met een grillig stuk boetseerklei in mijn handen. Daar maak ik dan langzaamaan een balletje van. Die bolvorm ontstaat door de druk die ik uitoefen met mijn handen. Om tot een mooie regelmatige vorm te komen, moet die druk overal hetzelfde zijn. Met de aarde is het niet anders. Maar wat is dan die kracht op onze aarde? Welke kracht drukt die in elkaar? Dat is de zwaartekracht en die kracht kennen we allemaal. Het is de kracht die je voelt onder je voetzolen als je staat en op je achterwerk als je op een stoel zit.” Zo komt het heelal dichtbij.

Voorleessessies van hoogleraar Harold Bekkering met peuters mondden doorgaans uit in een goed gesprek. Beeld Typetank

Voorleessessies van hoogleraar Harold Bekkering met peuters mondden doorgaans uit in een goed gesprek. Beeld: Typetank

De jongste leeftijd waarmee Harold Bekkering leservaring heeft, is op het kinderdagverblijf. Bekkering is hoogleraar sociaal-cognitieve neurowetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Zijn voorleessessies met peuters mondden doorgaans uit in een goed gesprek. Over heksen bijvoorbeeld. Bekkering: “Ze vertellen je: Bij ons woont een heks in de straat. Maar hoe herken je dan een heks? Aan haar bezem. De buurvrouw heeft een bezem. Is zij dan een heks? Op basis van zo’n vraag-antwoordgesprek leer je kinderen kritisch denken; want een heks, wat is dat nu eigenlijk? Het verschil met het nadenken over zo’n vraag en het nadenken over feiten in de wetenschap, is niet zo groot.”

Net als sterrenkunde is hersenwetenschap geen voor de hand liggende kleuterkost

Net als sterrenkunde is hersenwetenschap geen voor de hand liggende kleuterkost, maar ook Bekkering gelooft dat een gebrek aan kennis geen belemmering hoeft te zijn om met kinderen tot diepgang te komen. Het feit dat de hersenen uit honderd miljard neuronen bestaan, gaat het begrip van jonge kinderen vast te boven. Bekkering laat hen daarom een plaatje zien waarop zo’n hersencel verbonden is met duizend andere. “Je vertelt erbij dat die neuronen samen een netwerk vormen”, legt hij uit. “Zo ontwikkelen ze dan toch een besef van zo’n groot getal.”

Kleuterjuf

“Eigenlijk wilde ik altijd juf worden’, zegt Beatrice de Graaf, hoogleraar moderne en contemporaine geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. “En lesgeven aan jongere kinderen vind ik nog altijd erg leuk.” Waar Icke waakt voor het binnenschuiven van pallets vol kennis, hanteert De Graaf de nauw verwante salamitactiek: “Als kinderen al een plakje hebben gepakt, bied je er nog eentje aan”, zegt zij. “Je moet ze niet met informatie overstelpen.”

Terrorisme, het expertisegebied van De Graaf, lijkt voor heel jonge kinderen net zo min geschikt als sterrenkunde of hersenwetenschap, maar het onderwerp heeft zichzelf aangediend.
Na de aanslag in een tram op het 24-oktoberplein, zaten veel Utrechtse kinderen anderhalf jaar geleden opgesloten in hun school. “Kinderen wisten iets van terrorisme, omdat ze er zelf mee in aanraking kwamen”, zegt De Graaf. “Ze waren bang. Sommigen omdat ze vreesden dat er een terrorist door de wijk liep, anderen omdat ze dachten dat Geert Wilders hen het land uit zou gooien.”
De Graaf had drie kinderen op de basisschool en werd om hulp gevraagd: “Leerkrachten zaten met de handen in het haar. Ze wisten niet eens of ze het woord terrorist mochten gebruiken in de klas. Er werd heel besmuikt over gedaan, zoals vroeger over seks. Ze waren handelingsverlegen.”

‘Kleuters begrijpen al wel het verschil tussen dingen die heel lang geleden zijn gebeurd of nog maar net’

De talige benadering die spreekt uit Bekkerings vraag-antwoordgesprekje over heksen spreekt De Graaf aan. “Terrorisme is een beladen woord. Het ene kind hoort thuis: De Marokkanen zijn terroristen. Van een ander kind hoor je: Witte mensen zeggen dat andere mensen terroristen zijn, maar dat zijn ze zelf.”

Net als bij een onderwerp als seks was het bespreekbaar maken van het onderwerp De Graafs eerste doel. “Je wilt een inclusieve setting creëren, waarin iedereen durft te praten: wat is voor jou terrorisme.” Net als Icke en Bekkering compenseert De Graaf de kennisachterstand van heel jonge kinderen door een behapbaar brokje feiten direct te koppelen aan inzicht. Nadat ze kinderen heeft duidelijk gemaakt dat een onderwerp als terrorisme geen taboe is “het is er en je mag erover praten”, helpt ze hen een stap verder door hen te doordingen van enig basaal historisch besef “het was er en ook weer over”.

Kleuters en hoogleraren hebben blijkbaar een verrassende klik

“Kleuters begrijpen al wel het verschil tussen dingen die heel lang geleden zijn gebeurd of nog maar net”, zegt De Graaf. Ze laat kinderen een tijdslijn zien. Ze markeert daarop de geboortedatum van kinderen, pakweg 2011, maar ook bijvoorbeeld eerdere aanslagen. “De aanslag op Willem van Oranje door Balthasar Gerards, in 1584, laat zien dat het terrorisme iets is dat al veel langer bestaat. Het komt en gaat in golven. Als je recente aanslagen op zo’n tijdsbalk markeert, zie je dat het aantal aanslagen afneemt sinds 2015-2016.”

Kleuters en hoogleraren hebben blijkbaar een verrassende klik. Een gepassioneerde prof is best in staat om hun kennisachterstand te overbruggen en zo tot een goed gesprek te komen. Waarmee de hoogleraren niet willen zeggen dat kennis onbelangrijk is. “Als we onze kinderen niet toerusten met kennis, dan besteel je ze”, zegt Icke. “Dan stuur je ze weerloos de wereld in.”

Klassengesprek

Uitgangspunt van een goed klassengesprek is dat elke stem er mag zijn, legt Beatrice de Graaf uit. Toch zal een leerkracht op zeker moment ook grenzen moeten stellen. “Misschien roept een kind door de klas dat je terug moet schieten. Dan moet je uitleggen dat we met zijn allen hebben afgesproken dat geweld niet mag.”

Eenvoudig is het niet, geweld en terrorisme in de klas bespreekbaar maken en dat doe je het best niet alleen, bedacht De Graaf. “We hebben er een project van gemaakt en daarbij pedagogen en andere wetenschappers ingeschakeld. Op onze site, ter-info.nl, werken mijn collega’s nu dagelijks aan artikelen over terrorisme en de context ervan.”

Pestkoppen

De Graaf, Icke en Bekkering hebben elk hun eigen trucs om hun vakgebied voor jonge kinderen dichtbij te brengen. Zo zocht De Graaf aansluiting bij de Kanjertraining. “Terroristen hebben een zwart pet”, legt ze de kinderen uit. “Zij zijn de pestkoppen. Ze proberen ons bang te maken. Zo sluit ik aan bij hun leefwereld. Of ik laat een plaatje van legopoppetjes zien: veel vriendelijke met één boze ertussen.” Icke laat kinderen experimenteren met mechanische principes door een waterraket af te schieten of door elkaar te bekogelen met een zelfgemaakte blijde, de middeleeuwse benaming voor een katapult.

Kinderen nieuwsgierig maken betekent dat je steeds maar de vraag stelt: Waarom?

Om mee te meanderen met de gedachtenkronkels van jonge kinderen hoef je geen sterrenkundige, terrorisme-expert of hersenwetenschapper te zijn. Een goede juf of kleutermeester maakt er tijd voor, maar het gebeurt volgens Bekkering nog lang niet vaak genoeg. “Kinderen nieuwsgierig maken betekent dat je steeds maar de vraag stelt: Waarom? Vragen stellen doen we in het onderwijs veel te weinig. Of we stellen een vraag en zeggen: Dit is het antwoord. Terwijl we kinderen willen leren om nieuwsgierig te zijn en kritisch. Je observeert hoe kinderen reageren en denkt na over hun antwoorden.”

Bekkering helpt kinderen met profielwerkstukken. “Er bestaan geen oninteressante onderwerpen”, zegt hij. “Een meisje dat van paarden hield, wilde het daarover doen, maar dat mocht niet, want de leerkracht vond het niks. Terwijl je zo veel interessante vragen over dat onderwerp kunt bedenken. Wat voor soort paarden heb je? Zijn paarden overal op de wereld hetzelfde en wat voor hersenen hebben paarden dan? Heel mooi dat een kind zich dat serieus afvraagt.”

Belevingswereld

Aansluiten bij de belevingswereld is een uitgangspunt op veel pabo’s. Tegelijkertijd hebben leerkrachten te maken met leerlijnen vol leerdoelen die zij nauwlettend in het oog houden, soms al vanaf jonge leeftijd. Die leerlijnen zijn belangrijk.

Vincent Icke had zichzelf al leren lezen voordat hij naar school ging. Als hij netjes opstond om het te vragen mocht hij een boek pakken en stil in de klas gaan zitten lezen en hoefde hij niet naar de leerkracht te luisteren. Maar niet elk kind komt het lezen aanwaaien. De meeste jonge kinderen hebben baat bij systematische instructie die hen helpt om tekens aan klanken te koppelen. Of je daarmee op vier-, vijf- of zesjarige leeftijd begint, lijkt niet veel uit te maken, zo concludeerde de Nieuw-Zeelandse wetenschapper Sebastian Suggate op basis van een vergelijking van leesprestaties van pubers en hun schoolgaande leeftijd in 54 landen.

Ik geloof ook in de voordelen van twee leerkrachten voor één groep

Daar komt bij: leesinstructie alleen maakt van kinderen geen goede lezers. De basis daarvoor wordt gelegd doordat jonge kinderen luisteren naar verhalen, liedjes en gedichten. Dat ze zingen, rijmen, praten en discussiëren. En kinderen die op dat punt te ver achterblijven hebben baat bij ondersteuning op leeftijd. Doorgewinterde juffen weten dat. In het kringgesprek in de kleuterklas bewegen zij dagelijks mee met hun gedachtesprongen, al is daar niet altijd ruimte en tijd voor. “Laat kinderen in groepjes samenwerken”, zegt Bekkering. “En ik geloof ook in de voordelen van twee leerkrachten voor één groep.”

Angst

Aan het einde van het uurtje lezen op de kinderdagverblijf had Harold Bekkering het boek niet uit, maar dat was in zijn ogen geen bezwaar. “Het gaat fout wanneer je als leerkracht bedenkt: dit boek moet uit. Pas als je de dat loslaat kom je tot begrip. Het is als leerkracht niet je taak om het boek uit te lezen, waarbij misschien de helft afhaakt. We schieten tekort door ervan uit te gaan dat we stof in een bepaalde volgorde op een bepaalde leeftijd moeten aanbieden. In de kleuterklas horen kinderen al hoeveel letters ze moeten kennen. Laat iedereen op zijn eigen tempo leren en sluit aan bij zijn nieuwsgierigheid.”

Meer lezen over lesgeven aan jonge kinderen? Alle Onderwijsblad-artikelen zijn terug te vinden in het online archief. Bijvoorbeeld dit artikel wat wat wetenschappelijk onderzoek koppelt aan het dagelijks werk van het dagelijks werk van juffen en peuterleiders.

 

Meer nieuws