Beeld: Typetank

De klassengrootte doet ertoe, wanneer wordt ze openbaar?

Aan de formatietafel zal blijken of politieke partijen hun campagnebeloftes over kleinere klassen waarmaken. De omvang van een klas doet ertoe, maar hoe groot zijn klassen nu in werkelijkheid? Dat groepsgroottes per basisschool niet gepubliceerd worden, blijkt een bewuste keuze.

Aan de Trumanlaan in de Utrechtse wijk Kanaleneiland ontfermt katholieke basisschool De Zeven Gaven zich over 169 leerlingen. Die zijn verdeeld over drie kleutergroepen en daarna is er voor elk leerjaar één groep. Een rekensommetje leert dat de gemiddelde groepsgrootte uitkomt op rond de 19 leerlingen.

Dat ligt best wat lager dan het landelijke gemiddelde van 23, beaamt directeur Karry Pomo. “We zijn zoals dat in de volksmond heet een volledig zwarte school”, vertelt ze aan de telefoon. “Het leerlinggewicht behoort tot de hoogste van het land. We krijgen daarom relatief veel geld uit de achterstandsmiddelen. Dat zetten we in om de groepen zo klein mogelijk te houden. We geloven dat je in kleinere groepen betere resultaten kunt halen. Mits de kwaliteit van de leerkrachten op orde is, zeg ik erbij. Want je kan nog zulke kleine groepen hebben: zonder een goede leerkracht schieten leerlingen daar niks mee op.”

Dolfijnen

Je kunt het ook omdraaien: je kan nog zo’n goede leerkracht zijn, in een grote klas is het moeilijk om alle leerlingen te zien. De omvang van de klas is een terugkerend onderwerp van gesprek, binnen en buiten de school. Maar hoe groot zijn de klassen per basisschool nou precies? Aan de hand van de leerlingadministratie en het basisregister onderwijs (BRON) moet je dat kunnen uitrekenen. In het Handboek BRON Primair Onderwijs van uitvoeringsdienst DUO staat namelijk dat scholen niet alleen het leerjaar moeten registreren, maar ook de specifieke groep: ‘De leerlingen waarmee de leerling tijdens het schooljaar de meeste tijd op school doorbrengt, vormen de groep. Bijvoorbeeld: ‘1a’, ‘Groen’ of ‘Dolfijnen’.’ Maar waar vind je die werkelijke groepsgroottes van basisscholen?

In het Handboek BRON Primair Onderwijs van uitvoeringsdienst DUO staat namelijk dat scholen niet alleen het leerjaar moeten registreren, maar ook de specifieke groep.

De meest voor de hand liggende plek voor een overzicht van groepsgroottes is het digitale dataportaal van DUO. Dat portaal is een grote kaartenbak met gegevens over scholen, personeel en leerlingen. Daarin staat van alle scholen in het basis- en voortgezet onderwijs wel de leerling-leraarratio: het aantal leerlingen gedeeld door het aantal voltijdbanen (fte) aan onderwijzend personeel per schoolvestiging, elk met een eigen zogenoemd ‘brinnummer’. Landelijk is die leerling-leraarratio in het basisonderwijs tussen 2016 en 2019 licht gedaald, van 18,4 naar 17,7. In 2020 kwam de verhouding opnieuw uit op 17,7. Tussen basisscholen onderling variëren de cijfers enorm: van onder de tien leerlingen per leraar tot achterin in de dertig. Maar wat zegt dat getal over de groepsgrootte?

Beeld: Typetank

“Helemaal niks”, reageert Channah Nieuwenhuis, directeur van de Europaschool in Amsterdam. Om te beginnen: het brinnummer van haar school wordt ook gebruikt door de internationale school die er ooit uit voortkwam. In de DUO-cijfers worden de leerling- en personeelsgegevens van de twee scholen bij elkaar opgeteld. De gezamenlijke leerling-leraarratio van 10,1 staat bovendien ver af van de groepsgrootte op haar school, die volgens Nieuwenhuis tussen de 25 en 30 leerlingen ligt.

De verklaring is vrij eenvoudig. In die ratio worden niet alleen de groepsleerkrachten meegeteld, maar al het onderwijsgevend personeel. Dus ook leraren die andere rollen vervullen, zoals remedial teachers, intern begeleiders of taaldocenten. Zo investeert de Europaschool veel in vreemdetalenonderwijs, aldus directeur Nieuwenhuis. “We hebben vijf extra taaldocenten. Die hebben niet een eigen groep, maar tellen natuurlijk wel mee in de formatie als leraar. Dat geldt ook voor andere ambulante rollen die leraren vervullen. En een gymdocent is ook leraar.”
Daarnaast biedt de school door de bank genomen jaarlijks plek aan vier zij-instromers, iets wat door het rijk en de gemeente wordt gestimuleerd in de strijd tegen het lerarentekort. “Zij-instromers staan gemiddeld voor vier dagen in de formatie, waarvan in elk geval één dag voor studie is vrijgeroosterd.”

Bij De Zeven Gaven in Utrecht komt de leerling-leraarratio uit op 12,5, veel lager dan de gemiddelde groepsgrootte. Dat is te danken aan de extra handen in de klas die de school betaalt uit de achterstandsgelden, de werkdrukmiddelen en subsidies. Directeur Pomo: “Bij de kleutergroepen is er altijd een extra onderwijsassistent of klassenassistent. Vanaf groep drie zorgen we dat we één of twee dagen per week leerkrachten dubbel op een groep hebben staan voor individuele begeleiding of werk in kleinere groepjes. We kijken welke ondersteuningsbehoefte er per groep is en aan de hand daarvan zetten we de extra leraren in. We hebben ook een remedial teacher voor de kinderen met een grote behoefte aan zorg.”

Gebaat

De leerling-leraarratio zegt iets over de omvang van het team, maar weinig over de klassengrootte. Een landelijk beeld is er wel, op basis van een jaarlijkse steekproef door DUO. De gemiddelde groepsgrootte in het basisonderwijs daalde de laatste jaren licht naar 22,6 in 2019, aldus de meest recente peiling van juni vorig jaar. Maar ja, dat is een theoretisch getal: geen enkele klas telt 22,6 leerlingen. De vaakst voorkomende klassengrootte in de steekproef is 23. Tegelijkertijd zit ruim een kwart van de leerlingen in een groep van 26 leerlingen of meer. Uiteraard zijn er grote verschillen tussen scholen in de pedagogisch-didactische organisatie. Steeds meer scholen stappen af van de klassikale indeling met een vaste leraar en schakelen over op groepsoverstijgend onderwijs.

De grootte van de groep doet ertoe. Het bleek vorig jaar ook nog weer eens uit een onderzoek dat SEO Economisch Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam uitvoerde.

De grootte van de groep doet ertoe. Het bleek vorig jaar ook nog weer eens uit een onderzoek dat SEO Economisch Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam uitvoerde in opdracht van de AOb. Klassen verkleinen in het primair onderwijs en bij starters in het voortgezet onderwijs, levert beduidend betere schoolprestaties op, aldus SEO. Al staat de klassengrootte niet op zichzelf. Zo zijn leerresultaten ook sterk gebaat bij intensieve begeleiding van beginnende leraren. Die investering rendeert op de lange termijn. De AOb maakt zich sinds jaar en dag hard voor kleinere klassen. In de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen sloeg de bond stevig op de trom om het onderwerp te agenderen voor een nieuw regeerakkoord.

In politiek Den Haag is het signaal gehoord. Tijdens de verkiezingscampagne beloofden verschillende politieke partijen hierin flink te zullen investeren. Zo willen D66 en sp structureel 600 miljoen extra uitgeven om de klassengrootte in het primair onderwijs te maximeren op 23 leerlingen. GroenLinks trekt 900 miljoen uit om de klassengrootte terug te brengen naar 21.

Speellokaal

Die aandacht is terecht, vindt directeur Henriëtte Tijssen van de protestants-christelijke basisschool De Aquarel in de Zwolse wijk Aa-landen. “Maar ik begrijp niet goed hoe je daar zomaar een maximum aan kunt verbinden. Stel dat je zegt: klassen mogen niet groter zijn dan 25 leerlingen en je hebt er 26 of 27 in een leerjaar. Wat doe je dan met de overige leerlingen? Twee groepen van dertien maken, dat is dan weer niet te betalen.”

En dan is er nog de huisvesting, vervolgt Tijssen. Haar school groeide de afgelopen jaren uit zijn jasje met vijftien groepen, terwijl het gebouw geschikt is voor negen. “Er zitten twee klassen in het gebouw van de school hiernaast, drie in een noodgebouw en één groep is ondergebracht in het speellokaal. Als de politiek zegt ‘kleinere klassen’, dan graag met de benodigde extra leraren en klaslokalen.”

“Als de politiek zegt ‘kleinere klassen’, dan graag met de benodigde extra leraren en klaslokalen.”

Op haar school ligt de gemiddelde groepsgrootte rond de 25 leerlingen, aldus de directeur. Maar niet elke groep is hetzelfde. “We hebben veertig leerlingen in leerjaar 8. Daar hebben we twee groepen van twintig van gemaakt, omdat het best pittige groepen zijn. Een van die kleinere groepen vraagt meer van de leraar dan onze groep 7 met dertig leerlingen.”

Bij Scholenopdekaart.nl, de website die besturenkoepels PO-raad en VO-raad ooit lanceerden als hét informatiepunt, is van alle scholen te zien hoeveel leerlingen er in een leerjaar zitten. Ook die informatie komt rechtstreeks van DUO, die het op haar beurt weer uit BRON haalt. Maar daar is lang niet altijd de groepsgrootte uit af te leiden. Leerjaren 6 en 7 tellen bij de Aquarel allebei 41 leerlingen, maar dat de school er twee jaargroepen en een combinatieklas van heeft gemaakt, valt er niet uit op te maken.

En dus blijft de vraag: waar is nu het overzicht van groepsgroottes per basisschool? Bij besturenkoepel PO-raad zullen ze het toch wel weten? ‘Wij hebben geen verdere informatie hierover’, reageert de woordvoerder en ze verwijst door naar het ministerie van Onderwijs. Een woordvoerder van het ministerie stuurt alleen de landelijke cijfers en gaat verder niet in op de vraag. Het CBS, dat ook een schat aan onderwijsdata beheert, heeft een kopie van de leerlinggegevens uit BRON, inclusief leerjaar en groep. Maar betrouwbare klassengroottes vallen daar niet uit de destilleren, mailt een woordvoerder in eerste instantie. Later zwakt ze haar antwoord wat af en verwijst ze door naar DUO. “Wij weten niet wat de betrouwbaarheid van de variabele groep is en verwerken deze variabele verder niet in onze bestanden of statistieken.”

Keuze

Bij DUO komt de aap uit de mouw: het blijkt een bewuste keuze om de groepsgroottes niet per school te publiceren. Waar scholen de leerjaren doorgaans wel accuraat registreren, zou dat bij de groepsaanduiding nog te wensen overlaten. Dat maakt de aangeleverde gegevens volgens een woordvoerder ongeschikt om ze één-op-één online te zetten. Vandaar dat er bij de jaarlijkse steekproef door DUO nog een hoop nagebeld en gecorrigeerd moet worden. Een externe controle lijkt dat te onderschrijven. De steekproef van DUO wordt namelijk gevalideerd door een onafhankelijk bureau, Centerdata. Bij 22 van de 57 scholen in die controle zag Centerdata dat DUO gegevens heeft moeten verbeteren.

Die lezing kende schooldirecteur Karry Pomo van De Zeven Gaven niet. Voor haar staat sowieso voorop dat het volgende kabinet aan de bak moet. “Er moet heel veel geld bij en dat moet naar de goede dingen. Kleinere klassen dragen bij aan beter onderwijs. Maar het onderwijs staat of valt met de kwaliteit van de leraar. Daar moeten we stevig in investeren.”

Dit verhaal verscheen in het meinummer van het Onderwijsblad, het onderwijsvakblad dat elf keer per jaar bij AOb-leden in de bus valt. Hier lees je meer over de voordelen van het AOb-lidmaatschap.

Meer nieuws

Ziek: nog steeds of opnieuw?

Een zieke werknemer krijgt meestal twee jaar ontslagbescherming. Hoe moet die periode worden berekend, als de medewerker na een korte tijd op school weer ziek... LEES VERDER

Flexdocenten zijn het beu

Terwijl universiteiten meer vaste aanstellingen beloven, staan vacaturessites bol van de tijdelijke snipperbanen met hoge eisen, maar zonder baanzekerheid. Flexdocenten pikken het niet langer. LEES VERDER