PO
VO
MBO

Oeso: Loon vo-docent bleef internationaal gezien achter

Net als voorgaande jaren bleef ook vorig jaar de loonontwikkeling voor docenten in het voortgezet onderwijs achter bij het Oeso-gemiddelde, aldus een nieuw rapport dat dinsdag verscheen. Verder verdienen leerkrachten uit het primair en voortgezet onderwijs minder dan andere hoger opgeleiden. ‘In veel Oeso-landen is het leraarsvak geen financieel aantrekkelijke carrière-keus.'

Tekst Karen Hagen - Redactie Onderwijsblad - - 3 Minuten om te lezen

Daling stijging

Beeld: Typetank

Dat staat in het jaarlijkse rapport Education at a glance 2023, opgesteld door de Oeso -de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. Het rapport helpt overheden om beleid uit te stippelen en geeft informatie over de positie van het onderwijs in vergelijking met andere landen. De nieuwe cao's voor het primair en voortgezet onderwijs die eergisteren zijn getekend, zijn hierin uiteraard niet meegenomen. 

Competitieve salarissen zijn cruciaal om leraren te behouden en om leraren te trekken

De onderzoekers schrijven in het rapport dat veel landen met lerarentekorten kampen. ‘Competitieve salarissen zijn cruciaal om leraren te behouden en om leraren te trekken', aldus de Oeso-onderzoekers. 

Ontwikkeling

In het voortgezet onderwijs laat het rapport zien dat de reële lonen -het loon na een inflatiecorrectie- van docenten in de periode van 2015 tot en met 2022 een stuk minder steeg dan alle Oeso-landen samen. In Nederland ontwikkelde de lonen zich met 1 procent, terwijl het gemiddelde van de Oeso op 4 procent lag.

In het primair onderwijs ging het loon meer vooruit, waarschijnlijk is dat vooral het gevolg van het dichten van de loonkloof.

Vergelijkbare diploma's

Nederland doet het internationaal ook minder goed als je de salarissen van leraren afzet tegen werknemers met dezelfde hbo-of wo-diploma’s. Het blijkt dat Nederlandse leerkrachten in het basis-en speciaal onderwijs zo’n 79 procent verdienen van wat alle werknemers met vergelijkbare diploma’s op hun salarisstrook zien. In andere Oeso-landen is dat verschil gemiddeld kleiner: leerkrachten die aan groep 3 of hoger lesgeven verdienen 87 procent van wat hbo-en wo-gediplomeerden ontvangen.

Nederlandse leerkrachten in het po verdienen 79 procent van wat andere werknemers met vergelijkbare diploma’s elke maand op hun salarisstrook zien bijgeschreven

Op middelbare scholen is dezelfde trend te zien, al is het voor docenten in de bovenbouw -de eerstegraads docenten- nog net iets sterker. De Nederlandse vo-docenten verdienen 89 procent van wat anderen met eenzelfde diploma verdienen. Het gemiddelde bij de Oeso voor docenten in de onderbouw is 90 procent en 95 procent voor docenten in de bovenbouw. 

Voorloper

AOb-voorzitter Tamar van Gelder vindt dat niet goed investeren in het salaris van leraren onverstandig is. “Je kan niet voor een dubbeltje op de eerste rij zitten. Het loont om te investeren in salaris, zeker omdat Nederland een voorloper wil zijn in goed onderwijs en de kennis en innovatie die eruit voortkomt. Bovendien zijn we één van de rijkste landen in de wereld. Dan is dit niet het juiste signaal.”

In een brief aan de Kamer reageren de demissionaire onderwijsministers Dijkgraaf en Paul dat het vergelijken van de salarissen van leraren met hbo'ers en wo'ers als één groep genomen in Nederlandse context niet ‘het meest logisch is’. Volgens de ministers verdienen vooral docenten met een wo-diploma in het po en vo minder dan universitair geschoolde werknemers in andere sectoren. Leraren met een hbo-diploma zouden in een vergelijking met andere hbo-opgeleiden relatief beter uit de bus komen.

Nog een opvallend detail: het ministerie van OCW koos voor een 'reactieve woordvoeringslijn', zo blijkt uit de beslisnota, bijgevoegd bij de brief, 'om zodoende te voorkomen dat er meer media-aandacht ontstaat voor de ontwikkelingen van de lerarensalarissen'.

Mbo

Elk jaar kiest de Oeso een thema uit voor het rapport. Dit keer lag de focus op het middelbaar beroepsonderwijs. Volgens de minister geeft Nederland per student meer uit aan het mbo dan gemiddeld in de andere Oeso-landen. ‘Wel blijven de uitgaven in alle gevallen achter bij de uitgaven die in het ho per student wordt gedaan.’

Het doorstromen van het mbo naar een ho-opleiding kan beter om de kansengelijkheid te vergroten. Verder is het volgens de ministers belangrijk om goed te blijven kijken naar de werkdruk bij mbo-docenten. ‘Het verschil met het ho is opnieuw opvallend’, vinden de bewindslieden. In het ho heeft één voltijdsdocent 15 studenten onder zich, in het mbo zijn dat 18 studenten per docent.

Blijf op de hoogte van het onderwijsnieuws, word lid en ontvang het Onderwijsblad tien keer per jaar in de brievenbus Lees meer over de AOb

Verder lezen in dossier: