MBO

Tweede Kamer toont zich positief over nieuwe financiering mbo, al zijn er wel vragen over de effecten

Een groot deel van de Tweede Kamer staat positief tegenover de nieuwe verdeling van onderwijsgeld voor het middelbaar beroepsonderwijs die het regionale opleidingenaanbod moet wapenen tegen dalende studentenaantallen. Wel hebben veel fracties nog vragen over het meten van ongewenste effecten en over de besteding van het geld.

Tekst Arno Kersten - Redactie Onderwijsblad - - 4 Minuten om te lezen

Vergaderzaal van de Tweede Kamer met bankjes en blauwe stoelen

Beeld: Tweede Kamer

Dat bleek vanmiddag tijdens een commissiedebat in de Tweede Kamer. “U heeft heel veel vragen, de hele Hoftoren zit te typen”, grapte D66-onderwijsminister Rianne Letschert aan het begin van haar bijdrage. Maar ze kon uiteindelijk vlot door haar antwoorden heen. Duidelijk werd dat de minister de regie bij de schoolbesturen laat en niet van zins is om de nieuwe financiering - “de grootste stelselwijziging in deze sector sinds 1995” - aan te grijpen om de lumpsum in te perken. Letschert gaat nu verder aan de slag met het wetsvoorstel zelf, dat op een later moment naar het parlement zal gaan.

Toegankelijkheidsopslag

Het mbo heeft volgens prognoses zeker tot 2040 te maken met een daling van het studentenaantal door demografische krimp. Daarbij worden gebieden als Zeeland, Zuid-Limburg, de Achterhoek en de noordelijke regio’s een stuk harder getroffen dan andere. Een gewijzigde financiering - minder studentafhankelijk en met een zogenoemde ‘toegankelijkheidsopslag’ - moet het onderwijsaanbod in de krimpregio’s op peil en bereikbaar houden. Daarbij verschuift zo’n 66 miljoen euro tussen instellingen onderling, op een rijksbudget van zo’n 5,6 miljard.

Er komt dus geen extra geld bij om de pijn te verzachten. Een deel van de besturen levert tot 4 procent van zijn budget in. Nieuw is ook dat alle mbo-instellingen voortaan een vast bedrag in de financiering krijgen ter grootte van een kwart van de totale bekostiging. Verder is er een geldpot van 200 miljoen aangemerkt voor regionale samenwerking via plannen die instellingen daarvoor indienen bij het ministerie. De nieuwe bekostiging zou volgens de huidige planning vanaf 2029 stapsgewijs over een periode van vier jaar worden doorgevoerd.

Gesleuteld

Achter de schermen is er lang aan de voorstellen gewerkt, geschaafd en gesleuteld - een zogenoemde reviewcommissie onder leiding van oud-Rekenkamer-lid Kees Vendrik keek mee. Vlak voor de zomervakantie ontvouwde onderwijsminister Letschert het resultaat in een brief aan de Tweede Kamer. De MBO-raad schaart zich achter de contouren, al staan zeker niet alle mbo-instellingen volop te juichen. De AOb is kritisch (zie kader verderop), omdat de lumpsumfinanciering ongemoeid blijft en onderwijspersoneel meer zeggenschap verdient. Afgelopen weken volgden in de Tweede Kamer een technische briefing door het ministerie en een rondetafel-sessie waarbij weliswaar veel organisaties aanschoven, maar een vertegenwoordiging van leraren ontbrak. Vandaag was het dan eindelijk aan de partijen in de Tweede Kamer zelf om zich erover uit te spreken.

Als we de handjes niet hebben, de mensen die het moeten uitvoeren, dan hebben we in Nederland een heel groot probleem

Discussie was er onder meer over de vraag in hoeverre onderwijsinstellingen hun opleidingenaanbod meer zouden moeten afstemmen op tekortsectoren zoals techniek en de zorg. De VVD ziet daarin liever meer sturing van de overheid en wil daarom de geldpot voor de regionale plannenmakerij graag ophogen van 200 naar 600 miljoen. De minister zou dan meer invloed kunnen uitoefenen door het toekennen van budget voor deze plannen. “We kunnen heel veel geld uittrekken voor sectoren van infrastructuur tot defensie, maar als we de handjes niet hebben, de mensen die het moeten uitvoeren, dan hebben we in Nederland een heel groot probleem”, aldus VVD-Kamerlid Martin de Beer.

Een aantal partijen, waaronder D66 en Pro, benadrukten vooral de vrije studiekeuze van studenten. “Mij bekruipt toch het gevoel dat de VVD naar het mbo kijkt als handjes voor de arbeidsmarkt en mensen die gestuurd moeten worden op het maken van een studiekeuze”, aldus Kamerlid Mikal Tseggai van Pro. "Het zijn jonge mensen, laat ze kiezen waar ze blij van worden want het gaat ook om ontwikkeling en zelfontplooiing."

Fiducie

Minister Letschert gaf aan dat ze in het uiterste geval al de mogelijkheid heeft om in te grijpen in het opleidingenaanbod, maar ze verwacht dat het zover helemaal niet komt. Ze heeft er alle “fiducie” in dat onderwijsinstellingen de handschoen oppakken en de regie nemen. “Die zijn geworteld in de regio’s, die kennen de vragen vanuit de arbeidsmarkt daar het beste en kunnen dat veel beter bewerkstelligen dan ik hier vanuit mijn toren in Den Haag zou kunnen.” Met hetzelfde adagium steunde de minister - in haar vorige functie zelf bestuurder in het wetenschappelijk onderwijs - de financiële autonomie van mbo-besturen. “De afstand vanuit Den Haag is veel te groot, ik ben heel erg fan van de lumpsum.”

AOb: meer zeggenschap nodig voor personeel

De voorgestelde herziening gaat de AOb niet ver genoeg. Zolang de lumpsum en de prikkels die daaruit voortvloeien grotendeels in stand blijven, worden belangrijke problemen in het mbo niet opgelost. De AOb constateert dat onderwijsgeld onvoldoende in de klas landt. Middelen die beschikbaar zijn voor bevoegde en bekwame docenten worden ingezet voor andere doeleinden, zoals extra ondersteunend personeel bij bestuursbureaus. De bond pleit er daarom voor om middelen voor de primaire arbeidsvoorwaarden van onderwijsgevendpersoneel te oormerken. Ook pleit de AOb voor meer zeggenschap van onderwijspersoneel op het beleid bij mbo-instellingen, onder meer door de ondernemingsraad instemmingsrecht te geven op de meerjarenbegroting.