Onderwijspersoneel tegen afbraak speciaal onderwijs
Leraren en onderwijsondersteuners maken zich ernstige zorgen over het plan van de overheid om vanaf 2035 het speciaal onderwijs af te bouwen en leerlingen zoveel mogelijk samen in één klas te zetten. Ze noemen inclusief onderwijs een mooi ideaal, maar onhaalbaar en risicovol. Ze vrezen negatieve gevolgen voor leerlingen, leraren en de onderwijskwaliteit.
Beeld: Typetank
Dat blijkt uit grootschalig onderzoek van de AOb, CNV en FvOv, waaraan ruim 9.100 medewerkers – merendeels leraren - uit primair, voortgezet en speciaal (basis)onderwijs deelnamen. De bonden bieden het rapport ‘Help(t) inclusief onderwijs?’ morgen aan de Tweede Kamer aan, waarin ze vragen om eerst de huidige knelpunten op te lossen.
Nog geen 20 procent van de leraren is positief over de invoering van inclusief onderwijs
Inclusief onderwijs gaat verder dan passend onderwijs. Het uitgangspunt is dat alle scholen vanaf 2035 een inclusieve leeromgeving bieden voor kinderen met en zonder ondersteuningsbehoeften. De uitkomsten van het onderzoek laten zien dat er binnen geen enkele onderwijssector draagvlak bestaat voor een volledig inclusief onderwijssysteem waarin speciaal onderwijs grotendeels verdwijnt. Ruim de helft staat negatief tegenover de invoering ervan. Opvallend is het verschil tussen mensen die voor de klas staan en erbuiten: nog geen 20 procent van de leraren is positief. Volgens de meeste respondenten ontbreekt het aan essentiële voorwaarden om inclusief onderwijs tot een succes te maken. Kleine klassen, voldoende personeel, passende ondersteuning en geschikte schoolgebouwen zijn volgens hen bijvoorbeeld noodzakelijk.
De trein dendert door op weg naar inclusief onderwijs, terwijl de werkvloer niet gehoord wordt
AOb-voorzitter Coba van der Veer noemt het zorgelijk dat de plannen doorgaan terwijl in de praktijk het bieden van passend onderwijs al ingewikkeld is. “De trein dendert door op weg naar inclusief onderwijs, terwijl de werkvloer niet gehoord wordt”, noemt Van der Veer als aanleiding voor het onderzoek. “De randvoorwaarden moeten eerst op orde, anders zal inclusie averechts werken voor álle leerlingen.”
Uit het onderzoek blijkt dat vrijwel niemand verwacht dat volledig inclusief onderwijs in 2035 daadwerkelijk gerealiseerd zal zijn. Meer dan de helft van de respondenten denkt wel dat scholen inclusiever zullen worden, maar dat speciaal onderwijs een belangrijke rol blijft spelen. Sterker nog: veel deelnemers vinden juist dat het speciaal onderwijs moet groeien, zodat wachtlijsten afnemen en leerlingen beter geholpen worden. ‘Ik hoop echt dat meer leerlingen naar speciaal onderwijs gaan, zodat we weer normaal les kunnen geven. Nu heb ik soms klassen met 5 tot 8 leerlingen met een rugzakje. Niet te doen!’, schrijft een leraar.
Zorgen over de kwaliteit
Een belangrijk punt van zorg is de impact op de kwaliteit van het onderwijs. Leraren vrezen dat zij in complexere klassen geen enkele leerling recht kunnen doen. Ze verwachten meer onrust in de klas en dat de sociale vaardigheden en cognitieve prestaties van leerlingen achteruitgaan. Een leraar licht toe: ‘Leerlingen die extra aandacht vragen, hebben invloed op het leerklimaat in de klas. Ze houden op, het wordt onrustig en men komt minder aan leren toe. Dit gaat onder andere ten koste van de leerprestaties/basisvaardigheden van de reguliere leerlingen. Een (zeer) zorgelijke zaak.’
Ook zal de werkdruk verder stijgen. Niet alleen door extra begeleiding van leerlingen, maar ook door meer administratie, overleg met hulpverleners en contacten met ouders. Vooral vo-docenten geven daarbij aan nooit gekozen te hebben voor een beroep met veel zorgtaken. ‘Dit is echt een volslagen krankzinnig idee. Als dit doorgaat, wil ik geen docent meer zijn. Ik kan goed lesgeven, maar ik ben geen hulpverlener, dat kan en wil ik niet’, schrijft een docent.
Ook over het welzijn van leerlingen bestaan grote zorgen. Met name medewerkers uit het speciaal (basis)onderwijs denken dat meer leerlingen zullen uitvallen wanneer zij naar het regulier onderwijs moeten. Of, zoals een sbo-leraar verwoordt: ‘Het gemiddelde so kind past simpelweg niet op een reguliere school. Ze kunnen alleen functioneren in een heel kleine groep in een omgeving met weinig prikkels en veel structuur. Mochten deze kinderen toch naar een reguliere school moeten, dan zullen veel kinderen overvraagd en dus beschadigd raken. En komen er juist veel kinderen thuis te zitten.’
Onvoldoende toegerust
Een ander belangrijk knelpunt is de voorbereiding van leraren. Nog geen 40 procent van alle leraren zegt voldoende toegerust te zijn om passend onderwijs goed vorm te geven. Dit zijn met name leraren in het sbo, so en praktijkonderwijs. Leraren doen hun kennis vooral op in de praktijk en niet vanuit de lerarenopleiding. Voor inclusief onderwijs liggen die percentages nog lager. Minder dan één op de vijf leraren in het primair en voortgezet onderwijs zegt goed voorbereid te zijn op het bieden van inclusief onderwijs.
Nog geen 40 procent van alle leraren zegt voldoende toegerust te zijn voor passend onderwijs
Om zich verder te professionaliseren ontbreekt het volgens de meeste leraren aan tijd, budget, scholingsmogelijkheden en mogelijkheden tot vervanging. Ook schoolleiders erkennen dat deze randvoorwaarden vaak niet op orde zijn. ‘Docenten moeten maximaal kunnen differentiëren, zowel op het cognitieve als mentale aanbod voor leerlingen. Dat is een utopie. Zeker in tijden van personeelstekort en de uitstroom van zeer ervaren docenten’, schrijft een schoolleider.
Bijna twee derde van de respondenten wil meer ondersteuning en zorg op school, meer dan de helft ziet dit ook graag direct in de klas. Vooral de inzet van onderwijsondersteunend personeel wordt belangrijk gevonden. Daarnaast noemen veel respondenten de aanwezigheid van gedragsspecialisten, orthopedagogen en ambulante begeleiders als noodzakelijke voorwaarden voor beter onderwijs. Veel leraren denken dat extra ondersteuning op school bijdraagt aan een lagere werkdruk en leerlingen sneller geholpen worden. Tegelijkertijd wijzen leraren erop dat meer mensen in een klas ook nieuwe uitdagingen met zich meebrengen. Kleine lokalen, onduidelijke verantwoordelijkheden en extra prikkels kunnen volgens hen juist weer leiden tot meer onrust.
Schoolgebouwen vaak ongeschikt
Dan is er nog een ander praktisch bezwaar. Met name in het basisonderwijs blijken veel schoolgebouwen nog niet geschikt voor inclusiever onderwijs. Op minder dan de helft van de scholen zijn brede ingangen, aangepaste toiletten of liften aanwezig. Daarnaast ontbreken op veel scholen ruimtes waar leerlingen in rust kunnen werken of extra begeleiding kunnen krijgen. Stilte- en prikkelarme ruimtes zijn schaars, net als ruimtes voor les in kleine groepen. Een leraar uit het speciaal onderwijs: ‘De basisschool is niet klaar voor inclusief onderwijs. Ze hebben nu al moeite om de groepen te draaien. De scholen zijn vaak niet geschikt voor mijn leerlingen, de speelpleinen en de ruimtes zijn vaak te klein en niet aangepast (hufterproof, rustruimte, snoezelruimtes, etc).’
Op veel scholen ontbreken brede ingangen, aangepaste toiletten of liften
In de enquête werd ook gevraagd welke vorm van inclusief onderwijs ideaal zou zijn. Een derde van de deelnemers geeft de voorkeur aan één schoolgebouw, waarin leerlingen met speciale onderwijsbehoeften in eigen klassen onderwijs volgen. Op die manier kunnen leerlingen elkaar wel ontmoeten tijdens pauzes en gezamenlijke activiteiten. Een kwart van de deelnemers ziet meer in het verbeteren van de ondersteuning op reguliere scholen, mét behoud van aparte scholen voor speciaal onderwijs.
Routekaart
De discussie over inclusief onderwijs speelt al langer. De AOb en andere bonden stapten in 2022 uit het overleg met het ministerie toen keer op keer bleek dat er geen oog was voor de knelpunten in de dagelijkse praktijk. Toenmalig minister Dennis Wiersma zette vervolgens vaart met zijn ‘routekaart’ naar inclusief onderwijs. In 2024 volgde een beleidskader met concrete stappen. Volgens de overheid past inclusief onderwijs binnen de ontwikkeling naar een inclusieve samenleving en biedt het kansen in het oplossen van problemen, zoals de wachtlijsten voor het speciaal onderwijs. Uit het beleidskader: ‘Door zoveel mogelijk kinderen dichtbij huis inclusief onderwijs te bieden (..) zijn uiteindelijk veel minder kinderen aangewezen op gespecialiseerd onderwijs verder weg van huis. Daarnaast biedt inclusief onderwijs met de juiste ondersteuning leraren de kans om zich weer meer te focussen op hun kerntaak.’
Onderwijspersoneel vraagt in dit onderzoek om meer realisme: eerst de randvoorwaarden op orde, zoals kleine klassen, voldoende leraren en ondersteuning, en minder werkdruk. AOb-voorzitter Coba van der Veer hoopt dat de politiek tot inkeer komt. "Inclusief onderwijs wordt verkocht als vooruitgang, maar een systeem waarin iedereen moet passen kan betekenen dat uiteindelijk niemand krijgt wat hij nodig heeft. Met schadelijke gevolgen voor de hele klas, inclusief de leraar."
Benieuwd naar het onderzoek 'Help(t) inclusief onderwijs? Download het rapport