Praktijkles in kleine klas werkt beter
De mbo-kappersopleiding in Enschede deed in coronatijd mee aan een proef met kleinere klassen. Het team geeft nog steeds minder praktijklessen, maar wel effectievere en ze gaan minder ‘star’ om met de 1000-urennorm. “Met twintig studenten én knipmodellen ren je de benen uit je lijf.”
Mbo-student Rezk Moussa met zijn docent Adèle Poulisse. “Keurig jongeman, normaal zou ik zeggen dat ik het te grof vind. Alleen, dit is big hair en dan is dat juist goed”. Beeld: Rob Niemantsverdriet
“Is dit verticaal of horizontaal”, vraagt docent Adèle Poulisse terwijl ze wijst naar de klittenbandroller in het haar van een oefenpop. Eerstejaars mbo-student Rezk Moussa (17) denkt na als Poulisse behendig laat zien hoe je de roller er horizontaal in kunt rollen. “Kijk, zo blijft het kapsel langer in model en heb je er meer plezier van.” Moussa knikt en pakt een nieuwe klittenbandroller voor de volgende pluk haar.
Hij is één van de zes NT2-studenten die vanochtend in praktijklokaal A0.08 in Enschede les krijgen van Poulisse. Voor deze studenten van het Roc van Twente is Nederlands niet hun eerste taal, ze volgen allemaal een bol-opleiding waarbij ze vier dagen op school zitten en één dag stage volgen op niveau-2. Geconcentreerd staan ze achter hun oefenpop met naast hen een handig verrijdbaar tafeltje. Idris Alarbu (22) kent alle borstels. “Een ronde borstel, een watergolfborstel, een spijkerborstel en dit is een kam”, wijst hij aan. Alarbu vindt het “leuk om mensen nog mooier te maken”.
“Werk heel grof, gebruik dikke plukken”, zegt Poulisse tegen alle studenten terwijl ze zelf een wafeltang opwarmt. Op het whiteboard staat de opdracht: big hair. “Dit is een klein clubje”, zegt Poulisse. “Als ik alleen zou staan met twintig studenten en ze hebben allemaal een knipmodel mee, dan ren je de benen uit je lijf. Nu kan ik observeren, ik heb meer tijd voor ze. Dat is ook handig met de taal.”
Wegduiken gaat nu lastig
De opleiding haarverzorging (niveau-2 tot en met 4) in Enschede deed samen met vier andere mbo-opleidingen in het schooljaar 2021/2022 mee aan een proef met kleinere klassen. Het idee kwam uit de teams zelf nadat ze -gedwongen door de afstandsregel- zagen dat ze in kleinere groepen meer lesstof in minder tijd konden behandelen. “Docenten waren minder bezig met orde houden, merkten dat ze beter differentieerden en docenten hebben in kleinere klassen meer aandacht voor de studenten. Diegenen die dat zouden willen, kunnen daardoor minder goed wegduiken”, vertelt beleidsadviseur Wouter Vollenbroek die de opleidingen ondersteunde en de resultaten in de gaten hield.
Docenten zijn minder bezig met orde houden en kunnen beter differentiëren
Vollenbroek benadrukt dat het ging om ‘kleinere klassen’, maar dat per mbo-opleiding verschilt hoeveel studenten dat zijn. “Bij haarverzorging betekende het vijftien à zestien studenten per klas en is de proef vooral in de praktijklessen opgepakt. Bij de opleiding medewerker facilitaire dienstverlening ging het om acht tot twaalf studenten.” Haarverzorging koos ervoor om een kleinere klas van vijftien studenten met één docent in te richten en een reguliere klas, met twee docenten.
Sep van den Berg die bij de opleiding de theorievakken burgerschap en rekenen geeft en in het practoraat van de proef zat, zegt dat ze de kleinere klassen “zonder extra kosten” hebben gerealiseerd. Dit kon vooral door minder stug om te gaan met de 1000-urennorm. (Tekst loopt door na kader).
Urennorm in het mbo
Elke mbo-student heeft een studielast van 1600 uur per studiejaar. Deze urennorm geldt voor studenten die een bol- of een bbl-opleiding doen. Binnen de urennorm zijn er afspraken gemaakt over de verhouding van het aantal uren voor begeleide onderwijstijd (bot) en beroepspraktijkvorming (bpv). Bot is de tijd op het roc en in de klassen met een docent, de bpv is de stageplek van de studenten. Het hangt van de mbo-opleiding af hoe die verhouding eruitziet. Opleidingen mogen afwijken van het aantal uren volgens de wet, maar dan moet dit wel goed onderbouwd worden.
In de Tweede Kamer ligt op dit moment een wetsvoorstel om de regels rondom de onderwijstijd te versoepelen: de wet Verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Vaba). Op 1 april 2026 debatteert de Kamer hierover. Roc’s krijgen daarmee de mogelijkheid om de bot-uren terug te brengen naar 500 uur per jaar en meer ruimte om het onderwijs ‘anders in te richten’, zoals oud-minister Gouke Moes in een brief aan de Tweede Kamer meldde. De AOb is kritisch op de wet. AOb-hoofdbestuurder Andries Knol: “Hoewel meer flexibiliteit mooi klinkt, ben je afhankelijk van hoe de wet uitgevoerd wordt door de roc’s. Het is geen bezuinigingsmaatregel van het ministerie, maar zo zou de wet wel gebruikt kunnen worden.”
De bond is bang dat mbo-werkgevers onderwijsteams gaan pushen om steeds minder lessen aan te bieden en studenten meer naar de vaba-stages te verplaatsen. “Voor de ‘bovenkant’ van de studentenpopulatie kan deze wet misschien goed uitpakken, maar het probleem zit ‘m in de meer kwetsbare studenten, zoals de niveau-2 studenten uit dit artikel. In deze wet is het minimum niet goed dichtgetimmerd, waardoor roc’s er een loopje mee kunnen nemen.”
"Het halveerden we tijdens de proef. Het waren er twaalf en dit ging naar zes. Minder lessen, maar wel van een hogere kwaliteit met meer begeleiding.” Inmiddels is dit met voortschrijdend inzicht deels teruggedraaid. “Zes praktijklessen bleek te weinig, zeker als er studenten niet kwamen opdagen of ziek waren. Nu zijn het negen à tien praktijklessen.”
Het aantal praktijklessen werd gehalveerd. Dat bleek toch te gortig
In het ‘Monitoringsonderzoek werken met kleinere klassen’ dat over de proef bij het roc is verschenen, staat dat de meeste opleidingen de kleinere klassen konden realiseren door te schuiven in de begeleide onderwijstijd (bot) en beroepspraktijkvorming (bpv). Studenten gaan dan meer op stage en de tijd op het roc kan dan in kleinere klassen worden aangeboden. Een andere optie was om echt af te wijken van de wettelijke urennorm en het minimum aantal lessen begeleide onderwijstijd. Vollenbroek: “Tijdens de proef weken we vooral af van de urennorm. Dat mag wettelijk gezien, maar dan moet je wel de kwaliteit van het onderwijs op orde houden, de studenttevredenheid en studentenresultaten monitoren.”
Minder prikkels in de kleine klas
Inmiddels volgt de opleiding wel weer de wettelijke urennorm en schuiven ze met de bot- en bpv-uren. Docent Van den Berg: “Onze visie en wens is absoluut om het nog steeds zo te doen, maar we wijken nu niet meer van de urennorm af. Wel zijn we ons als team door de proef veel meer bewust van de klassengrootte. Eén docent op 24 studenten lieten we misschien eerder gebeuren en zeker op niveau-3 of -4, maar nu niet meer. Liever twee groepen van dertien studenten en minder lesuren, dan één grote groep of we proberen er een stagiair bij te zetten.” Het team bij haarverzorging mikt op maximaal zeventien studenten per klas, in de wetenschap dat er altijd afvallers zijn. “Zeker omdat deze niveau-2 opleiding veel vraagt van studenten, je moet echt iets met je handen kunnen, zelfstandig solliciteren voor een stageplek.”
De proef en het onderzoeksrapport lieten zien dat niveau-2 studenten het meeste profijt hebben van kleinere klassen.
Niveau-2 studenten hebben het meeste profijt van kleinere klassen
Docent Van den Berg: “Zij hebben wat meer tussenstappen nodig, de doelgroep is vaak wat kwetsbaarder en studenten zijn sneller afgeleid. Met kleinere klassen krijgen studenten -zeker bij de kappersopleiding- sneller feedback.” Student Lynn Bijkerk (18) die in een praktijklokaal verderop voor de spiegel staat en bezig is met knippen vanuit een ‘gidslijn’, wist altijd al dat ze kapper wilde worden. Ze stapte over van de bbl- naar de bol-opleiding. “Zo word ik meer begeleid en is het toch iets rustiger”, zegt ze. In haar groep zitten vanochtend tien studenten. “Dit is fijn zo, want ik krijg niet veel prikkels.”
Student en docent krijgen een betere band
Docent en kapper Janine Ausma neemt het woord in haar praktijkles en vraagt iedereen om naar het midden te komen zodat de studenten goed kunnen zien wat ze doet. “Zet je kam er maar op en neem een pluk haar in de hand. Neem de gidslijn mee en doe het repeterend. Dat betekent: herhalen”, zegt Ausma terwijl ze behendig wat plukken haar pakt met een schaar in haar hand. Het grote voordeel van beter op de grootte van de klas letten, is volgens Ausma dat je studenten meer aandacht kan geven. “Natuurlijk gaat het over het knippen, maar in de praktijk vertellen ze je ook ontzettend veel en ik wil iedereen gezien hebben.”
Dit punt kwam ook naar voren in het Monitoringsonderzoek: de betere band die studenten en docenten met elkaar hebben. Docenten zeiden dat ze beter zagen ‘hoe studenten erbij zitten’ en ook makkelijker actie kunnen ondernemen. Vooral voor niveau-2 studenten is dat belangrijk, omdat ze in de eerste plaats naar school komen als ze zich veilig en gewaardeerd voelen. Dit bereik je sneller in kleinere klassen. Verder is klassenmanagement eenvoudiger, kunnen docenten flexibeler met de lesstof omgaan en voelen ze minder stress. ‘Zij voelen zich minder tekortschieten’, aldus het rapport.
Docenten voelen zich minder tekortschieten
Er zijn ook nadelen. Er zijn collega’s die een kleinere klas juist lastiger vonden. Van der Berg: “Het betekent dat je veel meer moet differentiëren en dat dat ook van je verwacht wordt.” Dat docenten meer over studenten te weten komen, kan er ook voor zorgen dat ze meer tijd kwijt zijn met nazorg. Praktijkdocent Poulisse noemt een ander nadeel voor studenten: minder keuze uit vrienden. “Soms als er in een kleine groep een paar studenten ongemotiveerd zijn, slaat dat over op de rest van de groep”, zegt ze. Al kan ze haar zin niet afmaken, want een mbo-student roept. “Is dit goed mevrouw?” Poulisse loopt richting de spiegel en bekijkt de rollers in het haar van de oefenpop. “Keurig jongeman, normaal zou ik zeggen dat ik het te grof vind. Alleen, dit is big hair en dan is dat juist goed.”