titel Homo’s voor de klas
chapeau  
nummer blad 10
datum blad 30-5-2009
auteur L Douma 
rubriek Redactioneel

De Nederlandse homo-emancipatie doet een stapje terug. Op scholen wordt homoseksuele docenten gevraagd ‘in de kast’ te blijven. Expliciet, zoals op de reformatorische scholen. Maar veelal impliciet. “Haal je geen moeilijkheden op de hals, je weet toch hoe onze leerlingen zijn.” Juist om dat laatste moet er iets veranderen. “Weef een roze draadje door je bestaande veiligheidsbeleid.” Ervaringsdeskundigen aan het woord.

Het gaat niet goed met de homo-emancipatie in Nederland. Ook niet op school. Vorig jaar maakte de Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs bekend dat alleen homodocenten die geen relatie hebben welkom zijn. Want de Bijbelse principes zijn leidend voor de ongeveer 150 basisscholen, middelbare scholen, een roc en een hbo die zijn aangesloten bij de vereniging. Wie een relatie heeft met iemand van het eigen geslacht, kan die principes niet uitdragen, stelt de vereniging in een interne gedragscode.
Minister Ronald Plasterk floot de reformatoren direct terug.
Scholen mogen personeelsleden niet weigeren louter vanwege hun seksuele gerichtheid of het hebben van een homoseksuele relatie. Dat schreef Plasterk eind april nogmaals aan schoolbesturen. Met die brief hervat de minister de discussie over homoseksualiteit in het onderwijs, die oplaaide naar aanleiding van de gedragscode van de Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs.
Scholen die homoleraren weren, overtreden de wet. Maar het is lastig ze daarop aan te spreken. “Soms zet een directie een homodocent een-op-een onder druk”, weet Peter van Dijk, teamleider op een vmbo/havo/vwo-school en homoseksueel. “Ik sprak een docent op een andere school met een tijdelijk contract. Die docent kreeg een nieuw jaarcontract, mits hij toezei niet ‘uit de kast’ te zullen komen.”
In een reactie op dit soort signalen maakte Plasterk voor de periode 2008-2011 extra middelen vrij om de sociale acceptatie van homoseksuelen in Nederland te bevorderen. Op lokaal niveau maken politici zich ook hard voor de zaak. De Amsterdamse stadsdeelvoorzitter Ahmed Marcouch bijvoorbeeld kwam vorige maand met een eigen nota Homobeleid Slotervaart 2009-2011. Marcouch maakt zich zorgen over toenemende homohaat in zijn stadsdeel. Scholen zouden door voorlichting hieraan iets kunnen doen. “Maak het onderwerp bespreekbaar. Veel religieuze kinderen, zoals moslims, maar ook gereformeerden, krijgen van huis uit mee dat homoseksuelen als minder dan honden beschouwd kunnen worden. Licht kinderen dus voor. Laat ze inzien dat het er niet om gaat wat mensen in hun slaapkamer doen. Laat ze ervan doordrongen raken dat homo’s mensen zijn met wie ze te maken hebben: dat hun buurman homo kan zijn, of de huisarts, of de leraar. En betrek ouders ook in die voorlichting. Want wanneer zij hun kinderen een basis voor intolerantie meegeven, wordt de drempel tot geweld lager.”

Grimmig
Intussen neemt de homotolerantie op scholen alleen maar af. “Na de jaren zestig en zeventig is er een periode geweest van grote maatschappelijke tolerantie”, vertelt Renée van de Giessen, van Rotterdam Verkeert, een ondersteuningsinstelling voor homo-emancipatie. “Maar met de komst van de multiculturele samenleving is er een groeiende groep die zegt dat homoseksualiteit zondig is.”
Op categoriale gymnasia heeft een homoleraar een relatief onbezorgd bestaan. Maar op vmbo’s en praktijkscholen - waar 60 procent van de jeugd naartoe gaat - is de sfeer vaak grimmig. Het rapport Beter voor de klas, beter voor de school van de AOb, het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum, het COC en de Rutgers Nisso Groep, uit 2003, constateert een tendens: homoleraren worden niet alleen gepest door hun leerlingen, ook door hun collega’s voelen ze zich nauwelijks serieus genomen, laat staan gesteund. Collega’s geven aan weinig moeite te hebben met homoseksuelen, zolang ze er maar niet openlijk in de klas over praten.
De Rotterdamse GGD-jeugdmonitor geeft vijf jaar later geen zonniger beeld. Van de brugklassers zegt 50 procent van de jongens en 35 procent van de meisjes het vervelend te vinden een homodocent te hebben. In de derde klas zegt 49 procent van de jongens dit en 24 procent van de meisjes. Van de Giessen: “Als je dat vergelijkt met voorgaande jaren, neemt dat percentage toe.” Hoe ouder mensen worden, hoe toleranter. In de Monitoring van sociale acceptatie van homoseksuelen in Nederland (2007) van het Sociaal en Cultureel Planbureau zegt 10 procent van de zestienplussers het een probleem te vinden als hun kind les zou krijgen van een homoleraar, 12 procent heeft hierover geen mening.
Toleranter betekent zeker niet: tolerant. Want in datzelfde jaar laat een inspectierapport zien dat slechts 14 procent van de middelbare scholen optreedt tegen agressie jegens homopersoneel. En slechts 1 procent van de scholen heeft in een beleidsplan aandacht voor homoseksualiteit.
Het is misschien geen wonder dat veel homodocenten op school er maar niet over praten. Uit het onderzoek uit 2003 – het meest recente waarin deze vraag werd gesteld – bleek dat 33 procent van de homo’s en 17 procent van de lesbiennes op school niet uitkomen voor hun seksuele voorkeur.

Geweld
Docent Roxana Prêtre hield het op haar eerste school ook geheim. “Ik was bang dat de groep zich tegen mij zou keren. Ik gaf les aan de onderbouw. Aan een leeftijdscategorie die grensoverschrijdend gedrag wil plegen. Ik was bang voor verbaal geweld over een privéonderwerp.” Wat ook meespeelde was dat ze nog geen vast contract had en zich op haar vmbo-school niet veilig genoeg voelde. Op haar huidige school, een scholengemeenschap voor vmbo-tl en havo/vwo, weet wel iedereen dat ze lesbisch is. “Eenmaal aangenomen op deze school heb ik dat meteen aan al mijn collega’s verteld. Met collega’s heb je tussen de lessen door ook persoonlijk contact. Daarin wil ik open zijn.” Haar leerlingen kwamen er een paar jaar later achter dat Prêtre lesbisch is. “Ik had een collega die mij het advies gaf tijdens mijn eerste lessen, wanneer je je voorstelt, gewoon te zeggen: ‘Ik heb een vrouw, die heet zus en zo, en samen hebben we twee kinderen’. Klaar. Voor die aanpak heb ik niet gekozen. Ik had het idee dat mijn leerlingen mij eerst als professional moesten respecteren voordat ik ze wilde vertellen over mijn geaardheid. Want ik ben meer dan homo.”
Haar zwangerschap was de directe aanleiding voor haar coming-out. “In een vmbo-klas kwam mijn zwangerschap ter sprake. Mijn leerlingen hadden het steeds over ‘uw man dit’ en ‘uw man dat’. Dat vond ik vervelend. Dus heb ik ze verteld dat ik een vriendin heb. Het was een grote stap. Wanneer je dat eenmaal gedaan hebt, weet je dat het onderwerp op elk moment in je gezicht gesmeten kan worden, ook op een moment waarop je je niet zo sterk voelt.”
Prêtre ging dan ook niet over één nacht ijs. “Ik had van tevoren bij mijn collega’s gepeild hoe zij zouden reageren wanneer mijn geaardheid ter sprake zou komen in een klas. Zij zeiden me te zullen steunen, als dat nodig zou zijn. Ook verzekerden ze me dat de rector dat zou doen.”
Die steun is niet vanzelfsprekend, weet Florence Gaillard, studentenbegeleider op de Hogeschool Utrecht en partner van Prêtre. “Veel mensen zeggen: ‘Haal je geen moeilijkheden op de hals, hou je privéleven voor jezelf’.”
Zorg ervoor dat collega’s je steunen, adviseert ook Peter Dankmeijer, van Empowerment, het kenniscentrum op het terrein van seksuele diversiteit in het onderwijs. “Maar: vraag geen toestemming. Zet je directie voor het blok. Zeg dat het binnenkort wel zal uitlekken, vraag om steun wanneer er vervelende reacties komen.” En als je er dan uiteindelijk voor uitkomt, doe dan niet alsof je aan het biechten bent. Gaillard: “Wanneer je een biecht doet, geef je ruimte voor negatieve reacties. Als je een voldongen feit presenteert, niet.”

Relletjes
Toch zullen vervelende reacties niet uitblijven, waarschuwt Dankmeijer. “Leerlingen proberen je toch pootje te lichten op dit punt. Wanneer jij een leerling een laag cijfer geeft, kan die bijvoorbeeld naar zijn ouders gaan en zeggen dat je dat doet omdat je een oogje op hem hebt, en dat het niet wederzijds is. Zeker conservatieve, allochtone ouders zullen daarmee op hoge poten naar de schoolleiding gaan. Als directie moet je dan achter je docent staan. Zeg dat je de docent al jaren kent en zeer over hem te spreken bent, maar dat je de zaak uiteraard zult onderzoeken. Als je een discriminerend ondertoontje bespeurt bij ouders, moet je dat direct benoemen en duidelijk maken dat die toon niet geoorloofd is op jouw school.”
Teamleider Peter van Dijk werkt al achttien jaar in het onderwijs. Op een school in Rotterdam heeft hij een erg vervelende situatie meegemaakt. “Tijdens een toneelavond zong een groepje het liedje ‘Peter, ik vertrouw je voor geen meter’. Tijdens de act sloegen ze steeds met hun vingers op de rug van hun hand, een teken van homoseksualiteit. Het groepje wist de zaal zo op te jutten dat iedereen ging staan en meezong. Ik vond het vreselijk. Misschien nog niet eens zozeer voor mezelf, ik sla me door dat soort dingen wel heen. Maar door het signaal dat zoiets afgeeft aan leerlingen die worstelen met hun seksualiteit: zo wordt er met homo’s omgegaan. Ik heb de directie proberen te vertellen wat voor gevoel van onveiligheid dat optreden me had gegeven, maar vond geen gehoor. Zij vonden dat ik tegen een stootje moest kunnen. Uiteindelijk zouden ze in de schoolkrant een stukje zetten over die avond. Dat duurde maanden en maanden. Ik ben zelf toen maar weggegaan. Mijn ervaring is toch dat er iets breders mis is met de veiligheid op school als er een voedingsbodem is voor dit soort relletjes.”
Niet alle docenten vinden het makkelijk over homoseksualiteit te praten, weet ook de Slotervaartse stadsdeelvoorzitter en oud-leraar Marcouch. “Je ziet dat sommige docenten dichtklappen en schrikken als het onderwerp zich aandient. Ze vinden het een gevoelig onderwerp, waar ze zich – zeker wanneer er religieuze argumenten op tafel komen – liever niet aan branden. Maar als leraar moet je het goede voorbeeld geven. En het kan ook. Ik was vanochtend nog op een vmbo-school in Slotervaart en heb daar met leerlingen over homo’s gesproken. Tuurlijk werd er gegiecheld, werden er rake dingen gezegd, maar dat mag: die kinderen leren. Ga dat gesprek niet uit de weg. Niet alleen de leraar maatschappijleer is verantwoordelijk voor de homoverdraagzaamheid op een school. Wees als team begeesterd, draag samen iets uit.”

Uitvogelen
Directies hebben de touwtjes in handen, als het gaat om een homovriendelijk schoolklimaat. Marcouch: “Het beste wat scholen kunnen doen is het goede voorbeeld geven. Ga dus goed om met homoseksuele docenten. Op het moment dat je leerlingen of hun ouders intolerantie uiten, moet de schoolleiding optreden. Wees intolerant tegen intolerantie.”
Van de Giessen van Rotterdam Verkeert: “Wij hebben een training gegeven op het Libanon Lyceum. Naar aanleiding daarvan heeft de rector een zin laten opnemen in de schoolgids waarin staat dat intolerantie ten opzichte van homo’s op school niet hoort. Veel scholen doen dat niet omdat zij een veiligheidsbeleid hebben waarin discriminatie verboden is en dus ook homodiscriminatie niet geoorloofd is. Maar door homodiscriminatie niet expliciet te noemen, maak je je er te makkelijk van af.” Dankmeijer noemt dit een kenmerk van ‘moderne homofobie’. “Blijkbaar is het woord ‘homo’ heel moeilijk om in de mond te nemen. Misschien is dat wel omdat heteroseksuelen helemaal niet vinden dat zij een geaardheid hebben, dus waarom al die aandacht voor andermans geaardheid?”
“Het is belangrijk homoseksualiteit te benoemen. Omdat het alleen wanneer het zichtbaar is, geaccepteerd kan worden”, stelt Gaillard. Dat zichtbaar maken hoeft niet zo ingewikkeld te zijn, meent Dankmeijer. “Weef een roze draadje door je bestaande veiligheidsbeleid. Leg in je diversiteitbeleid een klemtoon op homoseksualiteit. Dat moet je wel op maat doen. Een school met veel allochtone leerlingen moet dat op een andere manier doen dan een ‘witte’ school. Maar voor alle scholen geldt: maak het onderwerp bespreekbaar.”
Dat is ook voor homoleerlingen prettig. “Op een gemiddelde school zitten 150 tot 200 homoleerlingen waarvan bijna niemand uit de kast komt. Met dat feit doen scholen weinig”, vertelt Dankmeijer. “Voor een leerling die aan het uitvogelen is wat zijn identiteit is, is het belangrijk om mensen op zich heen te hebben die zichtbaar tevreden zijn met hun homo-zijn.”

{kadertje}

Lesbo/homogroep

Lesbiennes en homoseksuelen moeten in de maatschappij nog steeds opkomen voor hun positie. Dat geldt bijvoorbeeld op hun werk, thuis in hun vrije tijd, in de politiek en ook in de vakbond. Binnen de AOb hebben homoseksuelen zich daarom verenigd in de lesbo/homogroep. Een van de doelen is het bevorderen van de homoacceptatie op scholen. Studentenbegeleider Florence Gaillard is lid van de groep. “Door ervaringen uit te wisselen met anderen groeit mijn zelfvertrouwen. Ik geloof in emancipatiebewegingen. Hoe meer mensen zich aansluiten, hoe meer we kunnen betekenen.”
Zie voor meer informatie www.aob.nl, ga naar ‘de vereniging’, vervolgens naar ‘groepen’ en klik op ‘lesbo/homogroep’.

{kadertje}

Tips
• Stop het uitschelden met ‘homo’; homojongeren ervaren dit nooit als grap.
• Besteed aandacht aan seksuele diversiteit in verschillende soorten lessen, haal het taboe ervan af.
• Laat voorlichting over homoseksualiteit door vrijwilligers van bijvoorbeeld het COC geven.
• Treed snel en adequaat op bij discriminatie en uitsluiting.
Tips komen van de website van Empowerment: www.tolerantescholen.net

© 2010
het Onderwijsblad .
Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij Het Onderwijsblad, columnisten of freelance medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledigde overname, herpublicatie of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur (onderwijsblad@aob.nl). Indien het gaat om artikelen van freelance medewerkers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.