![]() ![]() | |||||||||||||
Een verontrustend dalende trend, oordeelt de commissie-Dijsselbloem over de onderwijskwaliteit. Harde woorden, maar harde bewijzen ontbreken. Het is treurig dat de commissie meedoet aan de jammerklacht over het niveau. Is het niet al erg genoeg dat alle kostbare vernieuwingsoperaties geen verbeteringen hebben opgeleverd? Bovendien komt het dipje in de onderwijsprestaties vermoedelijk door slimme meisjes die geen boeken meer lezen, maar computerspelletjes doen. Het is stil op straat. Heel Nederland zit aan de buis gekluisterd, met een blocnote op schoot om zelf mee te doen aan de Nationale Onderwijstest. Een programma waar leerlingen uit het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs in een quiz laten zien of hun kennis een beetje op peil is, met interactieve kijkersvragen. Vooral leuk omdat de kinderen en pubers de ene na de andere aanwezige BN’er in de zaal wegspelen bij het onderwerp geschiedenis. Ook de minister van dienst moet met schaamrood op de kaken erkennen dat vierkantsvergelijkingen niet meer zijn sterkste punt zijn. Tussendoor wordt de uitkomst van het landelijk onderzoek over het kennisniveau op de Nederlandse scholen gepresenteerd. Zodat iedereen weer even weet wat de kwaliteit van het onderwijs is. Een hersenspinsel van een met veel drank overgoten brainstorm van de redactie van het Onderwijsblad? Nee, de Nationale Onderwijsmonitor is een serieus voorstel van de commissie-Dijsselbloem. En die heeft het op haar beurt weer overgenomen van het deelonderzoek van de wetenschappers van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit Maastricht. In dat onderzoek komt het ROA tot een heldere conclusie: op dit moment is er geen stevig wetenschappelijk bewijs dat er sprake is van een stijging of daling van het niveau van het voortgezet onderwijs. Als er al lagere scores zijn, zijn die klein en niet significant. Op zich is die conclusie al treurig genoeg. Want het betekent ook dat ondanks alle mooie idealen, energie van leraren en honderden miljoenen de invoering van basisvorming, vmbo en studiehuis geen sikkepit vooruitgang heeft gebracht. Terwijl dat toch de inzet was van al die onderwijsvernieuwingen. Het ROA daarom pleit onder andere voor een veel betere kwaliteitsmeting, die echt iets kan zeggen over onderwerpen waar leerlingen beter of slechter op gaan scoren in de loop der jaren. En ach, als dat dan toch gebeurt, maak er dan ook maar een leuk televisieprogramma omheen, schrijven ze in hun deelonderzoek. ‘Gelet op het succes van programma’s als de Nationale Intelligentietest of het Groot dictee der Nederlandse taal, zouden de uitslagen van de Nationale Onderwijstest op televisie uitgezonden kunnen worden.’ Het interessante is dat de onderzoekers van het ROA in hun uitvoerige onderzoek tot de conclusie komen dat er geen harde aanwijzingen zijn voor een niveaudaling, zoals die door het aanzwellend koor van onderwijspessimisten wordt bezongen. Er is een minnetje hier, een plusje daar, maar samengevat gaat het om marginale verschillen die betekenisloos - niet significant - zijn. Tussen de regels door maken de onderzoekers op beschaafd wetenschappelijke toon gehakt van hun collega’s van het Gronings Instituut voor Onderzoek van Onderwijs, die ondanks enorme gaten in hun langlopende cohortonderzoek wel harde conclusies trekken over het niveau. Juist daarom is het treurig dat de commissie-Dijsselbloem uiteindelijk wel meedoet aan de jammerklacht van een dreigende niveaudaling. In het rapport zelf is de commissie op de meeste plaatsen nog behoorlijk genuanceerd over de kwaliteit van het onderwijs. Maar het ontspoort als in de samenvatting voor de media wordt opgeschreven dat er sprake is van een ‘zorgwekkend dalende trend’. Harde woorden terwijl harde bewijzen ontbreken. Durfde de commissie die nuance niet aan? Bang voor de hoon van de critici die de mislukte onderwijsvernieuwingen op één lijn zetten met een vermeende niveaudaling? Verder wordt door Dijsselbloem met een ongelofelijk gemak al het internationale onderzoek (Pisa, Pirls, Timms) als weinig betekenisvol weggezet. Inderdaad, het internationale onderzoek is niet waterdicht, maar wel de enige enigszins betrouwbare vergelijking die we hebben. En of Nederland nu op plaats drie of tien staat is leuk voor een lijstje in de krant, maar belangrijker is dat de Nederlandse leerlingen steeds weer behoren tot de kopgroep van de tien significant beter presterende landen. Misschien zijn er zorgen, maar het Nederlands onderwijs behoort nog steeds bij de wereldtop. IJverige meiden De commissie is bovendien wat al te veel blijven hangen in de navelstaarderij op het politieke proces in eigen land. Vanwege die provinciale blik vergeet Dijsselbloem te kijken naar interessante en wel significante conclusies uit al dat internationale onderzoek. Er tekenen zich namelijk bijzondere trends af, die zich niet alleen hier voordoen, maar in meer welvarende landen met hoge scores. Zo laat bijvoorbeeld het Pirls-leesonderzoek bij leerlingen in groep 6 zien dat de lichte daling van het leesniveau slechts geldt voor de best presterende meisjes. Een trend die zich ook voordoet in Zweden en Engeland. De van oudsher ijverige meiden gaan zich meer gedragen als jongens. Ze laten hun boeken liggen en grijpen naar computerspelletjes en dvd’tjes om hun vrije tijd te vullen. Zo’n gegeven moet onderwijswetenschappers, didactici, pedagogen en beleidsmakers aan het denken zetten. Kan de school die beweging keren? Dagen wij onze best presterende kinderen voldoende uit om meer taal tot zich te nemen. Vragen die blijkbaar relevant zijn voor meer landen met een hoog consumptieniveau, met een toenemend aantal kinderkamers waar de jeugd de beschikking heeft over een eigen computer of een televisie bij het bed. Ook de Pisa-resultaten over de kennis van lezen, wiskunde en natuurwetenschappen bij vijftienjarigen biedt zulke doorkijkjes. Lange tijd was Nederland apetrots op het feit dat de verschillen tussen de beste leerlingen en de slechtste klein waren. Het liet zien dat Nederlandse achterstandskinderen internationaal gezien een hoog niveau bereikten. Ook daar weer blijkt dat juist onze topkinderen lager presteren dan de bollebozen uit andere landen. Natuurlijk is ons onderwijsstelsel een uiting van de Nederlandse relaxte cultuur, maar zouden wij iets kunnen doen waardoor de begaafde leerlingen ook meer uitgedaagd worden om betere leerresultaten te bereiken? En: de leesresultaten van vrijwel alle Pisa-landen dalen een tikkeltje, heeft dat iets met ontlezing en de oprukkende beeldcultuur te maken? Hetzelfde geldt voor de wiskundeprestaties. Een paar punten lager over de hele linie, opnieuw een ontwikkeling die zich voornamelijk voordoet bij de slimste meisjes in welvarende landen. In landen waar het emancipatieproces zich in alle hevigheid voltrekt zoals Brazilië, Indonesië en Mexico knallen de meiden juist vooruit. Met dat soort ontwikkelingen in het achterhoofd zijn uitspraken dat het Nederlandse onderwijsniveau te maken heeft met ‘een zorgwekkend dalende trend’ uiterst slordig geformuleerde conclusies. In plaats daarvan vragen de harde gegevens die wel beschikbaar zijn om een intelligent onderwijsbeleid, dat investeert op die punten waar winst is te boeken. {kader met grafiekje} Het knagend gevoel van niveaudaling Binnen en buiten het onderwijs bestaat toch wel degelijk het onaangenaam knagende gevoel dat het met het kennisniveau van onze kinderen hard hollend achteruitgaat. Een gevoel dat gevoed wordt doordat bijvoorbeeld studenten op vervolgopleidingen vandaag de dag bijgespijkerd worden in rekenen en taal. Als harde bewijzen voor die niveaudaling ontbreken, waar komt dat gevoel dan vandaan? Het heeft alles te maken met andere onderwijsloopbanen. Was het vroeger bijvoorbeeld logisch voor een technische geïnteresseerde havist met krappe voldoendes op zijn eindlijst om eerst maar eens de mts te gaan doen en dan de hts, nu kiest hij rechtstreeks voor de hts. Die ontwikkeling is het gevolg van stapelverboden in het voortgezet onderwijs, van de rem op de eindeloze studiefinanciering, van het opblazen van overstapmogelijkheden zoals mavo-havo of havo-vwo. Onder druk van de krappe onderwijsinvesteringen heeft de overheid de laatste decennia zelf deze ‘koninklijke weg’ gepropageerd. Het gevolg is dat de hoogleraar vandaag de dag niet alleen de crème de la crème van het gymnasium aantreft in zijn collegezaal, maar ook de vwo-jongeren met een mager zesje. De hogeschooldocent die vroeger nog een flinke pluk vwo’ers in de klas had zitten, heeft die groep zien verdwijnen. En de roc-leraren die veel plezier beleefden aan de havisten die met wat meer kennis binnenwandelden dan de mavo-gediplomeerden, raakten die groep kwijt. Dat geeft een beetje het beeld van de barones die vroeger altijd met haar adellijke vrienden een vorkje zat te prikken, terwijl nu tot haar ontzetting andere mensen aanschuiven. Waardoor zij aan de burgerij moet uitleggen wat de bedoeling is van al dat bestek rond het bord en tegen de landarbeiders moet zeggen dat ze de ganzenlever niet door de sla moeten prakken. Daar spreekt de barones schande van, maar blijkbaar is zij uit het oog verloren dat de wereld om haar heen veranderd is. Het betekent dat vervolgopleidingen hun onderwijs beter moeten afstemmen op de veranderende doelgroep. Misschien horen daar inderdaad taaltoetsen bij. Of dat de overheid de bruggetjes in het voortgezet onderwijs van mavo naar havo herstelt, zoals de commissie-Dijsselbloem voorstelt. Het vraagt kortom om het opnieuw doordenken van het onderwijsbestel. {grafiek} {in grafiek havo-hogeschool, vwo-universiteit accentueren} Koninklijke weg naar vervolgonderwijs steeds vaker gevolgd Bestemming jongeren met havo-diploma 1985 2004 vwo 17% 4% mbo 22% 6% hogeschool 38% 81% ander onderwijs 0% 1% geen onderwijs 23% 8% Bestemming jongeren met vwo-diploma 1985 2004 mbo 2% 0% hogeschool 27% 16% universiteit 52% 72% geen onderwijs 18% 9% bron: CBS jaarboeken onderwijs, vergelijking mavo-vmbo tl niet mogelijk door onvoldoende gegevens, door afronding op hele procenten tellen niet alle rijtjes op tot 100 procent.
© 2010 | |||||||||||||