titel Intern begeleiders in het management? Nee, zegt de AOb
chapeau  
nummer blad 19
datum blad 3-11-2007
auteur Overige 
rubriek Redactioneel



Op basisscholen is een wildgroei aan taken en functies. De intern begeleider is een relatief jonge loot aan de stam, maar ook deze beroepsgroep vertoont een rijk geschakeerd beeld aan taken. De landelijke beroepsvereniging wil hier een einde aan maken. Het is hoog tijd dat het intern begeleiderschap een aparte functie wordt, bij voorkeur in het management. Nee, zegt de AOb. Regel zoiets op je eigen school en zorg ervoor dat het beroep van leerkracht niet wordt uitgehold.

Tekst Rietje van Vliet

Van loopjongen naar coach. Van zorgcoördinator naar kenniscoördinator. Zo beschrijft Sandra Koot de geschiedenis van intern begeleiders (ib’ers) in het primair onderwijs. Koot is voorzitter van de Landelijke Beroepsgroep voor intern begeleiders. De nog jonge beroepsgroep wil de discussie over de positie van ib’ers stimuleren. Want zoveel is wel duidelijk: er zijn weliswaar opleidingen tot ib’er en heel veel basisscholen hebben er één binnen hun team, maar het beroep zelf wordt op verschillende manieren ingevuld. Het intern begeleiderschap is dan ook een takenpakket en geen functie, met alle rechtspositionele gevolgen van dien.
Op initiatief van de beroepsgroep heeft het Nijmeegse onderzoeksinstituut ITS het beroep van onder de loep genomen. Het rapport, Beroeps- en functievorming bij intern begeleiders, wijst uit dat bijna alle ib’ers hun taken combineren met een reguliere taak als groepsleerkracht of bijvoorbeeld remedial teacher. Ongeveer één op de tien zit in een LB-schaal (schaal 10), hetzij als senior leraar hetzij als speciale functionaris. Een zeer beperkt aantal ib’ers krijgt een bonus bovenop het reguliere lerarensalaris. Bijna 80 procent vindt dat de leerlingenzorg sterk gebaat is bij ib’ers. Ook geeft 70 procent aan dat het werk heel plezierig is, zelfs als het geen functie is. Waarom dan toch streven naar een functie?
“Het takenpakket is zo divers”, antwoordt Koot, “dat we nauwelijks kunnen spreken van een beroepsstandaard. Dat maakt de beroepsgroep kwetsbaar. Op het aantal uren intern begeleiderschap wordt al snel beknibbeld en ook met de invulling daarvan kan men alle kanten uit.” Dat het vak zo’n containerberoep is, heeft te maken met de ontwikkeling die het heeft doorgemaakt. Twintig jaar geleden waren het vrijgestelde groepsleerkrachten: remedial teachers-met-een-plus die leerproblemen diagnosticeerden en behandelden, en verder de leerlingenzorg regelden. Scholen kregen echter steeds meer behoefte aan mensen met een helikopterview op leerlingenzorg.
De start van Weer samen naar school (1994) luidde een verandering in. Het werd steeds belangrijker dat scholen beschikten over leerlingvolgsystemen. Systematische teambesprekingen over leerlingen kwamen hoog op het prioriteitenlijstje te staan. Ib’ers begonnen bij die kwaliteitszorg een alsmaar grotere rol te spelen, al bleven de taken aanvankelijk beperkt tot het aandragen van instrumenten en het uitwerken en bijhouden van gegevens.
Later groeide hun positie uit tot collegiaal consulent, die leerkrachten op individuele basis kan ondersteunen bij het omgaan met leerlingen met leer- en gedragsproblemen. Inmiddels worden ze meestal gezien als een coach die lessen bezoekt en samen met de groepsleerkracht een onderwijskundige koers uitstippelt. De contouren worden nu ook zichtbaar voor een nieuwe rol van ib’ers, namelijk die van onderwijskundig leider. Begeleiders die als kenniscoördinator hun taken uitoefenen, dragen bij aan de vernieuwing van het onderwijs, ze optimaliseren de zorg en verbeteren de toerusting van hun school.

Mager een eenzijdig
“We zien voor ib’ers twee hoofdrollen weggelegd”, licht Koot toe. “Sommigen zijn coördinator leerlingenzorg en leggen de nadruk op zorgtaken. Anderen coachen leerkrachten rond zorgvraagstukken en bepalen het zorgbeleid op school.” Met name in die tweede rol groeien ze richting het middenmanagement. Hun takenpakket kent zoveel verantwoordelijkheden, dat je volgens de beroepsvereniging in dat geval wel van een functie en een hoger salaris móet spreken.
De landelijke ontwikkelingen zijn niet meer tegen te houden. Sommige schoolbesturen zijn er al toe overgegaan hun ib’ers een salaris te geven dat bij hun takenpakket past. Het functiewaarderingssysteem primair onderwijs, dat sinds augustus 2006 van kracht is, staat werkgevers toe een eigen functiebouwwerk te maken. “Het systeem beschrijft een aantal normfuncties die ieder schoolbestuur zo kan overnemen”, zegt AOb-bestuurder Liesbeth Verheggen. “Daarnaast zijn er voorbeeldfuncties. Een schoolbestuur kan die aanpassen aan de eigen situatie, maar moet dit wel door een externe certificeerder laten legitimeren. Ook de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad moet er haar fiat aan geven.”
De AOb is in principe niet tegen het intern begeleiderschap als aparte functie, verklaart Verheggen. Maar wel tegen een situatie waarbij leerkrachten als enig loopbaanperspectief het management in kunnen. “Wij streven er juist naar dat ze binnen hun huidige functie carrière kunnen maken. Er zijn al genoeg managers in het onderwijs. We willen brede functies in het onderwijs waarbij de leerkracht ook ontwikkel- en zorgtaken heeft. Zou je die in een aparte functie onderbrengen, dan blijven groepsleerkrachten achter met een mager en eenzijdig takenpakket.”
Dat laatste staat haaks op het vakbondsbeleid. De AOb wil de professional centraal stellen en leerkrachten hun vak teruggeven. Zou de intern begeleider een landelijk geldende normfunctie worden, dan worden alle scholen over één kam geschoren en is er het risico dat het kind met het badwater wordt weggegooid. Verheggen: “Anders dan een beroepsgroep kijken wij als vakbond ook naar de directe collega’s van de ib’er. Die zitten lang niet altijd te wachten op meer deskundigen die zich met hen bemoeien. Een team moet zeggenschap hebben op de overdracht van bepaalde taken op intern begeleiders. Op het totale personeelsplaatje op school. In de besluitvorming daarover kunnen wij ze als vakbond heel goed ondersteunen.”
Koot realiseert zich goed dat er inderdaad nadelen kleven aan de functievorming van intern begeleiders. “De meeste intern begeleiders zijn ooit als leerkracht op hun school begonnen. Zouden hun taken worden omgezet in een formele functie, dan kan een schoolbestuur ze ook op andere scholen plaatsen.” De overgang naar een ambulante vorm van intern begeleiderschap is dan snel gemaakt. “Dan wordt de positie van een ib’er binnen een team ineens heel anders.”

{kader 1 met foto Anne van der Woude}
Makelaar in zorg
“Mijn taak bestaat uit het begeleiden van leerkrachten bij de zorg voor hun leerlingen.” Aan het woord is Alie Hooijer, intern begeleider op basisschool de Potmarge in Leeuwarden. De school is één van de vijftien basisscholen van Proloog, de gemeentelijke bestuurscommissie voor het primair onderwijs. Proloog wil op iedere basisschool minimaal voor een dag per week een ib’er. Hooijer werkt fulltime op de Potmarge. “Wij zijn een buurtschool in een volkswijk. Onder de 150 leerlingen bevinden zich veel zorgleerlingen.”
Hooijer is op school een soort makelaar in zorg. Ze spreekt met de leerkrachten de zorgleerlingen door en onderzoekt wat nodig is om de kinderen te laten leren. “De leerkracht blijft verantwoordelijk voor de klas. Ik leg de contacten naar buiten, bijvoorbeeld naar de jeugdafdeling van GGZ Friesland. Of naar het zorgteam van Weer samen naar school.”
Zodra er zorg van buiten wordt ingeroepen, vindt er een gesprek met de ouders plaats. Meestal is de groepsleerkracht de gespreksleider. “Ik stel me als intern begeleider bescheiden op. Mijn functioneren is immers afhankelijk van het vertrouwen dat ik krijg: van de leerkracht, maar ook van de ouders.” Om haar positie binnen school te verstevigen is Hooijer altijd zichtbaar aan het werk. Gesloten deuren zijn voor haar taboe. “Je zit in het middenmanagement, maar je moet constant laten zien wat je doet.”
Een loopmeisje voelt ze zich absoluut niet. Haar taken bestaan uit het regelen van allerlei lopende zaken, variërend van het aanvragen van dyslexieverklaringen tot het opstellen van een toetskalender voor de hele school. Ze houdt leerlingendossiers bij en overlegt met andere ib’ers van Proloog. “Als intern begeleider heb je een verantwoordelijke baan”, zegt ze. “Bij Proloog mogen we het geen functie noemen, maar het is het eigenlijk wel. Ons werk zou wat dat aangaat wel beter gewaardeerd mogen worden.”

{kader 2}
Net zo goed lid van het team
Basisschool Twekkelerveld in Enschede verzorgt ‘beter onderwijs op maat’. Een bewuste keuze, zegt intern begeleider Gerrie Bennink, omdat de school in een ‘aandachtswijk’ staat en meer dan de helft van de 160 leerlingen van allochtone afkomst is. De school heeft twee ib’ers: zelf doet ze de taalcoördinatie erbij en haar collega doet de rekencoördinatie.
Na 25 jaar voor de klas te hebben gestaan kent Bennink de school als geen ander. Ze was er ook remedial teacher. Haar collega’s vonden het aanvankelijk lastig dat ze voor uitvoerende taken geen beroep meer op haar konden doen. “Het hangt van je persoonlijkheid af hoe je het intern begeleiderschap invult”, verklaart ze. “Niet boven maar ook niet onder de leerkrachten gaan staan. Mijn deur staat altijd voor ze open. Ik ben net zo goed lid van het team. Ik ben de collega bij wie ze onderwijskundige ondersteuning kunnen krijgen.”
De ib’ers van Twekkelerveld hebben veel contact met jeugdzorg, schoolmaatschappelijk werk en andere externe adviseurs. Bennink kent de sociale kaart dan ook in detail. Verder is ze nauw betrokken bij de invoering van adaptief onderwijs. Ook leerlingenzorg zit in haar portefeuille. Maar haar deskundigheid is niet geborgd, stelt Bennink. “Een ib’er is een groepsleerkracht met specifieke taken. Omdat die formeel niet in een functie zijn samengebracht, kunnen ze gemakkelijk wegvallen.”
Vooral dat laatste ervaart ze als een groot nadeel. “Leerkrachten hebben de handen vol aan hun groep en komen niet toe aan taalbeleid. Om zoveel mogelijk leerlingen binnen boord te houden is een goed leerlingvolgsysteem nodig maar ook een strak aannamebeleid. Hoeveel zorgleerlingen kan onze school nog aan? Zo’n vraag wijst al op de grote verantwoordelijkheid die op de schouders van ib’ers rusten. Alleen al om die reden moet je de uren zeker stellen.”

{kader 3}
Manusje-van-alles
De Dordtse basisschool Dubbeldam staat in een wijk met veel hoogopgeleide gezinnen. De circa 300 leerlingen zitten verspreid over twee locaties. Enkele jaren geleden heeft de school het klassikale onderwijs verlaten en kent iedere groep drie niveaus. “Maar daarbuiten hebben we ook zorgkinderen die een individuele aanpak nodig hebben”, vertelt intern begeleider Annet van Gijzel.
Hoewel haar loopbaan in het onderwijs betrekkelijk laat van start is gegaan, heeft Van Gijzel de koninklijke weg bewandeld: eerst pabo, toen de opleiding voor remedial teacher en daarna de opleiding voor ib’er. Samen met de directeur en de coördinatoren van de onder- en bovenbouw vormt ze het managementteam van de school. De directeur heeft veel taken aan de ib’er gedelegeerd. “De mensen in het management krijgen een kleine vergoeding die in geen verhouding staat tot hun taken en verantwoordelijkheden. Vroeger was er een adjunct-directeur met een passende beloning. Veel taken van de adjunct worden nu door de bouwcoördinatoren en de ib’er gedaan.”
Het feit dat intern begeleiderschap geen aparte functie en geen hogere salarisklasse kent, ervaart ze als onrechtvaardig. “Als je na de pabo het diploma speciaal onderwijs haalt, kom je in een andere schaal. Maar de opleiding voor ib’er levert niets op, terwijl de taken en verantwoordelijkheden wel toenemen.”
Die zwaarte en verantwoordelijkheden van haar werk maken volgens Van Gijzel een aparte functiecategorie noodzakelijk. “Soms lijkt de ib’er wel een manusje-van-alles, zo veelzijdig is het. Tegelijkertijd is het een valkuil. Je moet geen taken van leerkrachten overnemen maar juist naast hen staan. Als hun coach. En als coördinator van zorg.” Wel wijst ze op het risico van een bureaufunctie. “Voor je het weet praat je niet over echte, maar over papieren kinderen.”
Van Gijzel ziet steeds meer schoolbesturen die naast de zakelijk directeur een onderwijskundig leider aanstellen. Die volgt de onderwijskundige ontwikkelingen en is verantwoordelijk voor het zorgbeleid en de kwaliteitzorg. “In de praktijk zijn het de ib’ers die deze functie krijgen.”

© 2010
het Onderwijsblad .
Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij Het Onderwijsblad, columnisten of freelance medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledigde overname, herpublicatie of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur (onderwijsblad@aob.nl). Indien het gaat om artikelen van freelance medewerkers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.