titel Jonge leraren verlaten snel het onderwijs
chapeau 'Ik werd voor 35 procent betaald, maar werkte veertig uur per week' 
nummer blad 17
datum blad 6-10-2001
auteur R Sikkes 
rubriek Redactioneel

Ze had echt gekozen voor het onderwijs. Na vijf jaar werken in het bedrijfsleven als milieukundige was Suzanne Oudmaijer het zat om alleen te denken in declarabele uren. "Ik wilde iets maatschappelijk verantwoords. Werken met kinderen. Het overbrengen van kennis." Toen ze hoorde dat er op haar oude school een vacature was voor een docent scheikunde, solliciteerde ze meteen. Schreef zich tegelijk in bij de lerarenopleiding aan de universiteit. Deed vorig jaar zomer examen. En is nu directiesecretaresse. Directiesecretaresse?

'Als beginnend docent werd ik voor 35 procent betaald, maar maakte wel veertig uur per week. De werkdruk voor een beginner is enorm", vertelt Suzanne Oudmaijer als hoofdreden om het vak van leraar na anderhalf jaar alweer te verlaten. "Nu kijk ik of het mogelijk is om op een makkelijke manier een goed inkomen te verdienen met werk dat bevredigt. Want ik verdien als directiesecretaresse vele malen meer. De werkomstandigheden zijn ook beter. Alle zaken eromheen zijn goed geregeld. Maar oké, het is intellectueel wat minder uitdagend."
Je groeit in het onderwijs is de nieuwe slogan van de wervingscampagne van het ministerie. Maar wat heeft het voor zin om miljoenen uit te trekken voor tv-spotjes als jonge leraren het na een paar jaar al weer voor gezien houden? Volgens de nota Werken in het onderwijs vertrekt tien procent van alle nieuwe leraren basisonderwijs een jaar na binnenkomst de school alweer om een baan buiten het onderwijs te zoeken. In vijf jaar tijd bedraagt de uitval 35 procent. In Engeland zijn de cijfers dramatischer. Veertig procent van de jonge docenten trekt al na drie jaar de schooldeur weer achter zich dicht.
'Het onderwijs is als een lekkend zwembad', schreef de Amerikaanse onderwijsspecialist John Merrow in Education Week. 'Terwijl er door een groot gat water wegloopt, proberen we het van boven met man en macht weer te vullen. Het lerarentekort wordt niet veroorzaakt door problemen in de werving, maar door problemen bij het vasthouden van mensen.' Nieuwe leraren worden volgens hem slecht betaald, slecht opgevangen en slecht opgeleid. 'Geen wonder dat ze wegrennen uit het onderwijs.'
'Uitstromen uit het onderwijs is lucratief', zegt ook het Nederlandse onderzoek Werken in het onderwijs. Jongeren die het onderwijs verlaten, gaan er financieel flink op vooruit. Andere redenen om te vertrekken zijn een nieuwe uitdaging en interessanter werk. Maar uitputtend zijn de vertrekredenen niet onderzocht. Jammer, want niet alleen vertelt het aantal vertrekkers iets over de aantrekkelijkheid van het onderwijs, ook de vertrekredenen van beginners zijn van groot belang om te bekijken hoe het met de concurrentiepositie van het onderwijs zit. In Engeland bestaat op basis van verschillende onderzoeken een topdrie van redenen om het onderwijs te verlaten: slecht management, onaangename kinderen en beroerde arbeidsomstandigheden.

Stevig in de schoenen
Suzanne Oudmaijer herkent die topdrie. Wat haar vooral tegenviel is de enorme werklast. Volle klassen, veel contacturen en nauwelijks tijd voor voorbereiden en nakijkwerk. "Ik begon met vijf derde klassen van elk 31 leerlingen. Maar er staan maar dertig tafels in de klas. In zulke grote klassen moet je stevig in je schoenen staan om de orde te kunnen handhaven. De school hanteerde een systeem van 45-minutenlessen, waardoor je meer klassen hebt. En volgens de normjaartaak heb je een half uur per les voor voorbereiding en nakijken. Maar dat is bij lange na niet voldoende. Ik had een aanstelling van 35 procent maar maakte in feite een werkweek van veertig uur. Als je ervaring krijgt zal die verhouding wel beter worden, maar voor een beginnend docent is dat geen doen."
In een volle klas loopt het eerder uit de hand. En dan reken je op steun van 'boven', vindt Oudmaijer. "Wat mij tegenviel is hoe de regels door de school worden nageleefd. Er was een zwak sanctiebeleid. Dat had veel strenger gemogen. Als je iemand eruit stuurt, dan moeten daar consequenties aan verbonden worden. Daar was deze school veel te makkelijk in. Zo wordt beginnende onrust niet gesmoord. Kinderen zouden te horen moeten krijgen wat er wel en niet mag. Stuk voor stuk zijn het heel aardige kinderen, maar met 31 gaan andere processen spelen. Sommige klassen waren er echt op uit om hun macht uit te proberen en leraren weg te pesten."
Ook de arbeidsomstandigheden vond ze beneden de maat. Als scheikundedocent kon ze wel een beroep doen op de technisch onderwijsassistent, maar die moest ze met veel collega's delen. De assistent deed ook techniek en werd ingeschakeld bij allerhande schoolklusjes. "Dat kwam er dus op neer dat je toch regelmatig alles voor het practicum zelf neerzet, staat op te ruimen en af te wassen en een heel practicum in je eentje draait met 31 leerlingen. Dat laatste vind ik onverantwoord. En dat geldt voor meer dingen. Je maakt zelf je kopieën, er is geen secretariële ondersteuning, zodat je je volledig op het lesgeven zou kunnen concentreren."

Rommelige organisatie
De werkdruk werd verder verzwaard door de rommelige organisatie. Boven op het lesgeven komen er ook voor een parttimer allerlei taken bij. Werkweken, surveilleren tijdens proefwerken van andere docenten, vergaderingen enzovoorts. Meestal, zo is de ervaring van Oudmaijer, is dat allemaal slecht geregeld omdat de organisatie van al die activiteiten in handen is van docenten die het er ook 'maar bij doen'. Het irriteert haar nog. "Pas op het allerlaatste moment wist je waar je tijdens een proefwerk moest surveilleren. Vaak moest één docent bij meerdere proefwerken tegelijk surveilleren, waardoor het altijd een chaos was tijdens de proefwerkweken. Er wordt het hele jaar door veel van je flexibiliteit gevraagd. Het kan zomaar gebeuren dat je denkt een vrij tussenuur te hebben en dat je dan opeens een klas moet opvangen, omdat de docent ziek blijkt te zijn of al ergens anders staat ingedeeld."
Ze was zeker niet de enige die twijfelde of ze na de eerste jaren wel in het onderwijs zou blijven. "Op mijn opleiding waren er veel die klaagden over de zwaarte van het vak voor beginners. De opvang is niet goed geregeld. Als je een klein baantje neemt om aan het vak te wennen, kom je uit op bijstandsniveau. Maar een volledige baan red je niet als beginnend docent. De investering om het onder de knie te krijgen moet nu volledig van de beginner zelf komen."
Is ze voorgoed verloren voor het onderwijs?
"Ik zou best terug willen. Ik ben dol op het werken met kinderen. Maar dan moet er heel veel veranderen en fors geïnvesteerd worden in onderwijs. Niet alleen in salaris, maar vooral in de werkomstandigheden. En ik bewonder al die docenten die er voor kiezen om te blijven. Het is haast geen beroep meer, maar een way of life. Je begint in september, het is weer over in juli. Je privé-leven wordt volledig opgeslokt door de baan. Overdag ben je bezig met lesgeven en ander leuk en opvoedkundig contact met leerlingen, 's avonds en in het weekend ben je lessen aan het voorbereiden, proefwerken nakijken, nieuwe lessen ontwikkelen. Om dat vol te kunnen houden, moet het docentschap echt een roeping zijn en daar heb ik een enorm respect voor."

© 2010
het Onderwijsblad .
Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij Het Onderwijsblad, columnisten of freelance medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledigde overname, herpublicatie of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur (onderwijsblad@aob.nl). Indien het gaat om artikelen van freelance medewerkers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.